Mijn moeders cliva

Lieve bloglezers, eindelijk weer een berichtje van mij.  Moest even bijkomen van een fikse blaasontsteking.

Het corona virus trekt een zware wissel op iedereen. Het lijkt alsof er niets anders meer is.
Zoals de meeste ouderen ben ook ik aan huis gebonden en daardoor wordt het stil en eenzaam om ons heen. De kinderen zijn heel voorzichtig en dat is natuurlijk lieve zorg. Maar het leven is ineens totaal anders.
Een paar blogjes terug schreef ik over de Spaanse griep. Niet wetend dat dit nu ons zou overkomen, een nieuw virus dat een wereldwijde pandemie veroorzaakt. En zo komen wij er pijnlijk achter dat we met al onze kennis niet alles in de hand hebben, en niet alles beheersbaar is.

Misschien kan een verhaal over vroeger wat afleiding geven, en de pijn wat verzachten?

Als ik aan aan mijn kinderjaren denk, dan zie ik uitgestrekte landerijen.
Ik zie ons huis staan met rondom het erf en de groene wei die door een greppel aansluit aan onze zijtuin. De koeien zijn tevreden aan het grazen, of liggen loom voor zich uit te staren.
In de voortuin staan geitjes aan een lange lijn.
Hoe anders was het leven toen, hoe overzichtelijk en rustig nog. Mensen gingen zaterdagsavonds bij elkaar “kortavonden” zoals dat werd genoemd.


We hadden geen radio of tv. En toch verveelden we ons niet. We lazen veel en er werd monopoly en andere spellen gespeeld. Of we kuierden over de tuinderij.

Mijn moeder had met elf kinderen niet heel veel tijd voor nostalgische terugblikjes. Maar als zij iets vertelde over haar jeugd, luisterde ik er nieuwsgierig naar. Ik hoorde ook aan die verhalen dat de wereld voor haar veranderd was sinds haar kinderjaren.
En zo zal zal het altijd blijven. We draaien met zijn allen mee in de tijd.

Mijn moeders clivia

Moeder en ik zitten samen aan de grote tafel. Ik rijg knopen aan een ketting. Een hele lange. Er zijn knopen genoeg, de bus zit helemaal vol.
Ik heb knopen uitgezocht die mooi bij elkaar staan. Ze liggen in gesorteerde groepjes voor mij op tafel. Het wordt vast een heel mooie ketting want de knopen hebben allerlei kleurtjes.

Ineens staat moeder op, en zegt: “Het voorjaar komt er aan. Ik ga vandaag de clivia maar eens naar beneden halen. Daar is het nu onderhand wel de tijd voor.”

Terwijl moeder naar de trapdeur loopt, roept ze: “ik laat de trapdeur even open staan hoor, want ik heb straks mijn handen vol. Niet de deur dichtdoen.”
Even later komt moeder met de clivia voor haar buik, voorzichtig naar beneden. Ze zet de plant  vlak voor mijn neus op de tafel.
“Kijk eens,  zegt moeder,” en wijst naar de clivia: “hoe mooi hij er bij staat. Hij heeft dit jaar zelfs twee knoppen.” Ze gaat op een stoel bij de tafel zitten en inspecteert de knoppen.
“Dat is voor het eerst dat hij twee bloemknoppen heeft.” Moeder kijkt heel blij.
“Hier zitten ze. We moeten even geduld  hebben tot de knoppen groot genoeg zijn om uit te komen. We gaan hem heel goed verwennen.”

Moeder pakt de clivia en loopt naar de voorkamer.
“We zetten hem eerst even in de voorkamer om te wennen dat het hier warmer is dan op zolder, na een poosje mag hij in de kamer. De voorkamer heeft precies de goeie temperatuur voor de knoppen.”
“Wil jij de deur  even opendoen?”
In de voorkamer krijgt hij een ereplaatsje. Vlak voor het raam want de knoppen moeten wel genoeg licht krijgen om uit te komen. Het tafeltje staat al klaar.

Ieder voorjaar gebeurt het opnieuw. De clivia wordt naar beneden gehaald en als een kind vertroeteld.
Ik vind het een wonderlijk gebeuren en volg op de voet hoe de de dikke bloemknop langzaam naar boven groeit. En ik begroet met evenveel vreugde als moeder het openen van de knop.
Dan ineens staat onze clivia, in al zijn glorie, uitbundig te bloeien.
Moeder weet precies hoe zij de clivia moet verzorgen, want ieder jaar bloeit hij weer.
Als ik naar de prachtige bloem kijk voel ik mij helemaal blij.

Op het raamkozijn in de voorkamer staan, tussen de opgetrokken gehaakte gordijnen, sanseveria’s. Sommige mensen zeggen vrouwentongen, maar ik vind sanseveria,s veel mooier klinken.
Ze staan er heel lang en groeien niet zo hard. Bij de buren aan de overkant staan ook sanseveria’s. Bijna iedereen heeft sanseveria’s. Maar niet iedereen heeft een clivia.
Moeder verzorgt de sanseveria’s ook goed, maar ze vindt de clivia veel mooier, geloof ik.
En waarom ze ook vrouwentongen worden genoemd weet ik niet.
Toen ik het moeder vroeg zei ze dat ze scherpe bladeren hebben en dat sommige vrouwen een scherpe mond hebben. Dat zou ik nooit bedacht hebben.

Als moeder terug is gaat zij verder met sokken stoppen. In sommige sokken zitten hele grote gaten. Als het zwarte sokken zijn doet moeder de lamp boven de tafel aan om het beter te kunnen zien.

Het regent vandaag heel hard, ik kan niet naar buiten. Zelfs de poes blijft binnen.
Ze ligt heerlijk te slapen in de rookstoel. Maar straks als de groten binnen komen wordt ze weggejaagd en moet ze ander plekje zoeken. Niet leuk voor de poes.
Maar als straks de groten binnen komen en ik in de rookstoel zit moet ik er ook uit en een ander plekje zoeken.
Moeder zegt dan: “de jongens zijn moe, ze hebben hard gewerkt.”
Dus zoek ook ik een ander plekje. Net als de poes.

Zomaar even een sfeertekening met woorden hoe het vroeger in ons gezin er naar toe ging.

Op dit  moment hebben oude gerechten en vergeten planten weer alle aandacht bij de jongeren. Leuk toch dat zo oude tijden herleven.

Ik ben altijd benieuwd hoe andere mensen terugkijken naar vroeger. En als ik in de loop van de tijd naar de  reacties kijk, is er veel blijde herkenning.
Het is nu eenmaal zo dat bij het ouder worden vroeger gaat herleven.
Het is ook heel leuk om het verhaal over vroeger van anderen te horen. Want hoe gelijkend ook, iedereen heeft weer een eigen verhaal. Klim daarom gerust in de pen.
Wij ouderen zijn nu aan huis gebonden, er is alle tijd om verhalen te vertellen.

Ook jongeren zijn welkom met hun verhalen. Hoe gaan zij in deze tijd met alles om? Hoe houden ze de gezinnen draaiend in deze zware tijd.
Ouders die soms in de zorg werken waarvan de kinderen thuis zijn van school.
Hoe lossen ze dit allemaal op? Naast hun werk hebben zij nu zorg over het schoolwerk van hun kinderen die thuis zijn. Wat een organisatie en geregel om het op de rit te houden.
En dan daarbij vaak ook nog de zorg over bejaarde ouders die alleen thuis zitten.
Hoe gaat het met hen? Vereenzamen ze niet? Het is voor iedereen een belastende, zware tijd.

De coronacrisis maakt ook vindingrijk. Ik hoor dat mensen weer aan een legpuzzel beginnen. Mensen worden creatief. Gaan nadenken wat ze voor elkaar kunnen betekenen. En wie weet wat er allemaal nog meer naar buiten gaat komen van dingen  waar we anders niet aan toe komen.

Bij ons hangt beneden hangt in de hal een uitnodiging van een gezin dat aanbiedt om boodschappen voor ons te doen.
Een crisis brengt mensen in beweging, roept mensen op tot naastenliefde. We moeten lijfelijk afstand houden maar de vele initiatieven die er nu al zijn brengt ons dichter bij elkaar.
Misschien is het goed om ook die kant van deze crisis op te merken.

Ik wens in deze tijd alle mensen gezondheid en inzicht hoe zij met alles om moeten gaan.
Heel veel kracht en sterkte voor iedereen!

 

 

 

Geplaatst in nu, vroeger | Getagged , , , , , , , , , , , | 6 Reacties

Koffie drinken onder de luifel

Lieve lezers van mijn blog.

Ik ben terug van weggeweest! En hoe fijn is het thuiskomen dan weer. Dat neemt niet weg dat het een heerlijke vakantie was in een geweldig onderkomen.

Het was al weer heel wat jaartjes geleden dat Gijs en ik ook in Zwitserland waren. We waren toen in Wallis. We logeerden toen in het huis van mijn zus die daar haar tweede huis had.
Ja, ja een grote familie is zo gek nog niet.  Zeker niet als je hier en daar een graantje mee mag pikken
In die vakantie hadden we nog het snode plan opgevat om te leren skiën. Voor Gijs was dat skiën een peulenschilletje. Hij had het in een mum van tijd onder de knie. Niets aan de hand.
Maar ach, arme ik. Voor mij werd het een zeer teleurstellende onderneming.
Ik lag iedere keer onder de houten latten en als ik wilde gaan staan gingen de lange latten hun eigen weg en gleden in slow motion onder mijn voeten vandaan.
Op zich was vallen gewoon in een beginnersklasje. Maar hoe kom je dan weer op die latten  omhoog als je als een tor op je rug ligt? Bij mij volgden ze in ieder geval hun eigen koers.
In het begin was de skileraar vriendelijk en hielp hij mij behulpzaam overeind. Maar na ettelijke keren hulp bleek hij, begrijpelijk, er genoeg van te hebben. Langzaamaan stond het huilen mij nader dan het lachen.

Bovendien kreeg ik door de ultra violette zonnestralen ook nog een heel heftige koortsuitslag op mijn lippen. Mijn lippen waren zo opgezwollen en deden zo’n pijn dat ik naar de dokter moest. Mede daardoor vervloog de lust om te leren skiën als sneeuw voor de zon. Ik hield het hele gebeuren voor gezien.
De lange latten bleven in de gang staan als een stille aanklacht dat ik gefaald had.

Gelukkig sloot Gijs zich bij mij aan. Hij vond het ook prima zo.
En zo werd het gewoon zonder skiën een heerlijke wandelvakantie.

Deze vakantie kwam de gedachte om te gaan skiën niet eens bij mij op. Want hoe zouden mijn oude benen  zich nu gedragen tijdens een val? En iets breken? Ik moet er niet aan denken. Nee het zou ronduit gekkenwerk zijn.
We hebben ons prima vermaakt. We hadden beiden zo onze bezigheden en gingen nijver aan de slag met ieder onze eigen hobby of kunstuiting.
Mijn nichtje had haar auto volgeladen met schildersattributen. Op de hoek van de lange tafel, stalde ze haar spullen op een zeiltje uit. Ze had doeken meegenomen waar ze de laatste hand aan wilde leggen. Door niets of niemand gestoord kon ze zich nu eens helemaal wijden aan haar kunst. En dat deed ze.

Ik mocht, tijdens het vervolmaken van de doeken, geen op- of aanmerkingen maken.
Mijn mond bleef braaf dicht tot ik het sein kreeg mijn bijdrage te leveren.

Is trouwens heel leuk om te zien hoe een schilderij wordt geboren.
Natuurlijk zette ik mijn trouwe computer op tafel, en wel in stand: schrijven. Zo schreef ik onder anderen, zoals jullie al zagen, mijn voorgaande blogbericht.

Het was muisstil in de kamer  als we zo samen bezig waren. Een prettige saamhorigheid.

Grindelwald is een echte skiplaats.  Zo’n plaatsje heeft altijd een speciale sfeer.
Overdag was het er rustig. Het stadje/dorpje ging pas echt leven als de skiërs terug komen. Dan wordt het druk en levendig, dan zitten de restaurantjes overvol. We vonden één onderkomen waar we zonder afspraak konden binnenlopen. Want we vonden het niets om in je vakantie ook weer te plannen.
Tot mijn grote vreugde was er ook nog eens een keur aan heerlijke Vegetarische gerechten. Daar had ik helemaal niet op gerekend en het smaakte mij heerlijk. We hebben er verschillende keren lekker gegeten.

En natuurlijk hebben we veel koffie gedronken heerlijk op het terras. Met soms iets lekkers erbij, maar niet te vaak, want het blijft altijd oppassen geblazen voor de lijn.
De elektrische kacheltjes in de luifels boven ons gaven het gevoel alsof het heerlijk warm weer was. Maar voor mij, echte koukleum, werden de dekentjes niet vergeten.
Toen de eerste sneeuwvlokjes naar beneden dwarrelden maakte dat onze wintervakantie compleet. Even later bescheen de zon de toppen van de bergen en leek het alsof de bergpieken van zilver waren.

Het huis zelf had een heerlijk breed balkon met uitzicht op de bergen. Met mijn stoel in een hoekje geschoven en ingepakt als een Eskimo zat ik te genieten van de schoonheid van de schepping.

En helaas kwam onvermijdelijk de dag dat we moesten inpakken. We deden het op ons gemak want we zouden in de middag pas wegrijden.

“En,” zeiden we in koor: “de terugreis is ook nog gewoon vakantie”.
Ik mocht niets doen. Mijn taak bestond uit toekijken hoe nicht-lief alles in de auto sjouwde.

Na een paar uurtjes was alles gepiept. Het huis was glad en alle spulletjes stonden weer in de auto. Opgelucht stapten we in de auto.
Het bekende gevoel van vroeger kwam bij mij boven. Ik zag de kinderen weer zitten op de achterbank,  braaf wachtend en toekijkend hoe wij alles inspecteerden en afsloten vóór we in de auto stapten. Hoe heerlijk voelde dat om zo met z’n viertjes weer naar huis te tuffen.

De computer de schildersattributen alles moest mee terug.  We waren tevreden over onze activiteiten en we slaakten een zucht van voldoening dat het gelukt was. We hadden weer iets uit het niets te voorschijn getoverd.

Het was gelukkig aardig weer en het rijden op de grote wegen ging helemaal prima. Het was niet altijd gemakkelijk geweest om over de kleinere wegen bij ons huis te komen.
Maar mijn opperbeste chauffeuse laveerde de auto  over de besneeuwde binnenweggetjes alsof ze het dagelijks deed. En de sneeuwkettingen bleven in de auto.

We deden het kalmer aan dan op de heenweg, al was het toen fijn om zo snel op onze bestemming te zijn.

We kwamen bij avond aan in Straatsburg.
“Wat een mooie stad” zeiden we bewonderend.  Vlak bij ons hotel vonden we een verlicht plein dat helemaal vol met mensen zat.
We kozen een tafeltje en genoten van het geroezemoes en de gezelligheid.
We waren toe aan een maaltijd want we hadden heel wat uurtjes in de auto doorgebracht.

Terug op onze kamer namen we als afsluiting nog een heerlijk bad. Moe en helemaal tevreden kropen we onder ons dekbed.

Morgen nog een dag in de auto en hopelijk zijn wij tegen de avond weer veilig thuis. Ook al weet en voel ik meer dan ooit dat er geen Gijs is die mij met zijn stralend gezicht welkom heet.

En weer thuis heb ik dankbaar voor alles, en niet te vergeten voor de lieve zorg van mijn nichtje, dit blog geschreven.

 

Geplaatst in nu | Getagged , , , , , , , , , , | 3 Reacties

Op weg naar vakantie

Schrijf ik zomaar “ineens” een blog vanuit Zwitserland.
Met een prachtig uitzicht vanuit het raam!

Dat ik hier ineens zit is natuurlijk schromelijk overdreven; want na negenhonderd km autorijden wist ik heus wel dat ik onderweg was.

Ik werd, door één van mijn lieve nichtjes, prinsheerlijk naar mijn vakantiebestemming gereden.  Ze is zelf ook niet meer piepjong maar wel een stuk jonger dan ik.
Ze reed zonder overnachting in één ruk rond de negenhonderd kilometer. We waren om 10.00 uur in de avond op onze bestemming

Ik zou het, als oudere tante, nooit zelf hebben voorgesteld om samen op vakantie te gaan. Maar toen mijn nicht het vroeg was ik niet zo dom het af te wijzen. Want het is natuurlijk heerlijk om als een prinses naar de bergen te worden gereden.
Bovendien was ik de laatste weken aan het kwakkelen met mijn gezondheid, daarom klonk haar vraag mij als muziek in de oren.

Dat dingen veranderen door de tijd is mij na 80 levensjaren wel duidelijk. Ondanks die duidelijkheid valt het mij iedere keer toch weer op hoe ontzettend groot die veranderingen zijn.
In mijn kinderjaren zijn wij bijvoorbeeld als gezin nooit op vakantie gegaan. Mijn moeder is 89 jaar geworden en nooit op vakantie geweest. Eén keer is ze in België geweest om de bruiloft van mijn zus daar bij te wonen. Dat was haar verste reis.

Mijn eerste vakantietripje was naar Friesland. Om precies te zijn naar Zwaagwesteinde.
Het was zo zo rond 1948.
Mijn moeder had in die jaren een hulp in de huishouding voor dag en nacht, zoals dat heette. In de zomer ging Catrien altijd voor een paar weken naar haar ouders in Friesland. En toen mocht ik zo maar met haar mee gaan logeren in Friesland!  Zover van huis was ik nog nooit geweest. Als negenjarig kind stond mijn hele leventje compleet op de kop.

Ik herinner mij niet veel meer van die vakantie. Alleen de reis staat nog in mijn geheugen gegrift. Ik droomde van een heerlijke lange treinreis. Zo lang had ik nog nooit in een trein gezeten.
De eerste uren waren ook leuk. Maar, toen we na uren boemelen nog lang niet op onze bestemming bleken te zijn verging mij het lachen. Hoe lang ging dat nog duren?

“O”,  zei Catrien opbeurend: “We zijn er nog lang niet hoor. We komen als alles goed gaat  om zes uur aan. ”
“Zo laat pas?” Er klonk wanhoop in mijn stem.

Ieder station dat we aandeden kostte een zee aan tijd. Na iedere stop kwam de trein tergend langzaam in beweging. En de tijd die de trein nodig had om op snelheid te komen, was een aanslag op mijn geduld.
We passeerden overweg na overweg met een trein die een belachelijke snelheid reed. Er leek geen einde aan de reis komen. De trein boemelde maar voort.

Eindelijk, na een dag reizen stapten we om tien over zes bij de ouders van Catrien binnen.
Wat was ik blij!

Inmiddels is het andere koek als je in de trein stapt. De hoge snelheidslijn rijdt als een razende roeland door het polderlandschap en brengt je in no time naar je bestemming.

En we zitten na slechts een autoreis van één dag, in Zwitserland: Grindelwald genaamd.

Natuurlijk in deze moderne tijd hadden we ook kunnen vliegen. Maar vliegen is aan mij niet besteed. Er wordt al meer dan genoeg gevlogen.
Ik woon vlak bij Schiphol en als de kerosinelucht van Schiphol mijn neus weer binnendringt schud ik mismoedig mijn hoofd. Waar gaan we naar toe met luchthaven Schiphol vraag ik mij dan angstig af.

Boeren moeten minder stikstof gaan uitstoten. Maar hoeveel luchtverontreiniging wordt er met één vlucht het milieu in gesmeten?
Dit is helemaal geen leuk onderwerp om over te schrijven, vind ik.
Maar wel een probleem dat nu speelt, en wat de moderne tijd ons heeft opgeleverd.
En leuk of niet, er moet nu iets aan gedaan worden, willen de prachtige planeet aarde bewoonbaar overdragen aan ons nageslacht.

En nu zit ik in Zwitserland in Grindelwald. Het is hier werkelijk prachtig!
Als ik naar buiten kijk rijst er voor mijn ogen een besneeuwde bergwand omhoog. Met huisjes die tegen de bergwand aanleunen.
Als ik in de bergen op vakantie ben en de  majestueuze bergen zie, gaat er steevast een psalmlied zingen in mijn hoofd.  Ik ken de psalm inmiddels uit drie berijmingen.

Ik sla mijn ogen op en zie
de hoge bergen aan, / waar komt mijn hulp vandaan ?
Mijn hulp is van mijn Here die
dit alles heeft geschapen. / Mijn herder zal niet slapen.
(berijming 1967)

Hieronder dezelfde psalm uit de berijming van Datheen ( 1566)

Tot de bergen hef ik op mijn
Ogen, ende vandaar
Verwacht ik hulp eenpaar.
Maar op God Die gemaakt heeft fijn
Hemel en aard’ in ’t ronde,
Wil ik mij vast’lijk gronden.

Het is nu maandag. Hopelijk volgt er nog een mooie week.

Foto’s volgen later

 

 

 

 

 

Geplaatst in nu, vroeger | Getagged , , , , , , , , , , , , , , | 7 Reacties

En dan wordt het toch nog gezellig!

Het is de hoogste tijd dat ik in de pen klim om te schrijven.
Het nieuwe jaar is wat druk begonnen want ik ben 4 januari voor een paar dagen naar mijn zus in Goes gegaan.

Ik weet niet of er een echte griepgolf rondwaart, maar in onze familie was het, zo vlak na nieuwjaar, raak. Kilian, de kleine dreumes van de familie, bracht het mee van de crèche. Op een crèche wemelt het van de virussen en aanverwanten en ieder kind doet op zijn tijd wel een keertje mee. En ondanks dat Kilian na een jaar nog borstvoeding krijgt, draait hij soms mee met de verkoudheden, griepjes, etc. die er rond dwarrelen. Het resultaat was dat bijna ons hele gezin, inclusief Kilian, griep kreeg en plat ging.

De vrouwelijke kant bleef, voor een gedeelte, op de been – waaronder ik. Vrouwen hebben ook eigenlijk geen tijd om ziek te zijn als bijna iedereen het vaantje strijkt. Maar gelukkig is het weer verleden tijd en verkeert iedereen in goede gezondheid.

Dit griepje in onze familie deed mij denken aan de griepgolf van 1957.  Die griep kreeg als naam de ‘A-griep’. De griep werd voor het eerst gesignaleerd in Azië.
Het was niet zomaar een griepje, maar een grote uitbraak, en deze velde hele gezinnen.
Veel ouderen zullen zich die griep vast nog herinneren. Wereldwijd stierven er ongeveer 1 miljoen mensen aan de A-griep.
Dit is maar een fractie aan slachtoffers die de Spaanse griep opeiste van 1918 tot 1919.
De Spaanse griep was een wereldwijde, zeer ernstige epidemie. Het aantal geschatte slachtoffers loopt uiteen van 20 tot 100 miljoen. De Spaanse griep eiste ruimschoots meer doden dan de hele Eerste Wereldoorlog.

Mijn moeder vertelde altijd dat zij, nadat ze de Spaanse griep had doorgemaakt, nooit meer de oude is geworden. Ik weet niet anders dan dat zij ’s middags een paar uur moest rusten.

De A-griep

Sinds september 1957 zit ik op de avondkweekschool voor het kleuteronderwijs in Dordrecht. Dit was toen nog een aparte opleiding. Op maandag- en vrijdagavond hebben wij van vijf uur tot negen uur les. En daarnaast nog een lange woensdagmiddag.

Vandaag  is het vrijdag en wenkt de school.
Met vijf meisjes verzamelen we ons altijd op het station van Barendrecht: daar pakken we de trein naar Zwijndrecht.
Bij het station aangekomen zie ik dat de trein al in aantocht is. Mijn fiets plaats ik vliegensvlug in het rek en ik ren naar het perron. Mijn medescholieren zijn al ingestapt – op één na. Zij talmt zodat ik ook nog kan instappen. Dankbaar voor haar hulp ga ik hijgend naast haar zitten. De trein zet zich boemelend en kreunend in beweging.

Het eerstvolgende station is Zwijndrecht. Voor ons groepje meteen ook al het eindpunt.
Vóór ons ligt de Zwijndrechtse brug. Die moeten wij lopend afleggen om bij onze school in Dordrecht te komen. Ik vind het, na een dag werken en met een zware boekentas aan mijn arm, een heel eind.

“Je was maar kantje boord op tijd,” zegt Gea terwijl ze naast mij komt lopen.
“Ja zeg dat, het was haastje-repje om op tijd te zijn,” zeg ik. Ik verwissel mijn tas naar mijn andere arm en kijk sip naar het lange stuk brug dat voor mij ligt.
Na ongeveer een kwartiertje zijn we bij onze school en lopen we met vijf man sterk naar binnen.
Vandaag hebben we het eerste uur Godsdienstles van de Heer Rijnsdorp. Het is altijd een fijne les – maar vandaag kan ik mijn hoofd er niet bijhouden.
Mijn hoofd doet vreselijk pijn. Het lijkt alsof een timmerman mijn hoofd aan het bewerken is: het klopt en bonst aan alle kanten.

Tijdens de volgende lessen wordt het al gekker met mijn hoofd. De laatste lesuren worstel ik mij door de tijd. Komt er wel eind aan vandaag?
Ik ben nog nooit zo blij geweest met de eindbel. Maar ik ben nog lang niet thuis.
Er volgt nog een wandeling over de Zwijndrechtse brug. Ik zie er als een berg tegen op.

Inmiddels gloeit mijn hoofd en ben ik duizelig van de koorts.

“Wat zie jij er uit,” zegt Gea, “Je hebt vast de A-griep. Bij ons is ook iedereen ziek. Maar ik voel mij nog kiplekker.”
“Dat voelde ik mij tot vanmiddag ook, maar ineens ben ik snorziek,” antwoord ik.

Met lood in mijn benen fiets ik naar huis met maar één gedachte: ik wil naar bed.
Thuisgekomen open ik de kamerdeur, groet ik mijn moeder en roep: “Ik voel mij zó ziek, ik ga meteen door mijn bed.”
Als ik op bed lig voel ik pas echt hoe ziek ik ben.

“Hoe kan het dat ik ineens zo ziek ben?” vraag ik mij af.
“Je hebt vast de A-griep,” zegt moeder. De kranten staan er vol mee hoe erg de ziekte huishoudt. Half Nederland ligt plat.
Heel erg, maar een schrale troost dat ik mag meedoen, denk ik.

Diezelfde avond komt broer Leo thuis. Mijn moeder krijgt het zelfde verhaal te horen.
Leo, die vanochtend nog gezond de deur is uitgegaan, voelt zich nu ook zo ziek als een hond.
Met een hoogrode kleur van de koorts steekt hij zijn hoofd door mijn slaapkamerdeur.
”Ben je ook ziek?” vraag ik geheel overbodig.
“Ja, ik ben duizelig en ik heb een hoofd dat bonst en klopt  van de pijn.”
“Je hebt vast de A-griep,” stel ik ter zake kundig vast.
“Weet je wat,” oppert Leo “zal ik mijn bed hier naar toe slepen? Is veel gezelliger.”
“Ja, een prima idee en gezellig,” zeg ik. Een ongekend gebeuren: tegelijk ziek zijn en op één kamer liggen.

Het is een hele heisa voor Leo om met bonzend hoofd en rillend van de koorts zijn bed naar mijn kamer te verslepen. En als hij bij de deur de draai moet maken om zijn bed in de kamer te loodsen gaat hij er even bij zitten. Kreunend van de hoofdpijn schuift hij zijn bed uiteindelijk de kamer in. Doodmoe valt hij in bed en de gezelligheid is ver te zoeken.
De eerste dagen slapen we – wanneer de hoofdpijn dat toelaat – en zijn we te ziek om te praten. We krijgen enorme bloedneuzen en in de slaapkamer hangt een nare griepgeur. Een kenmerkend verschijnsel dat bij de A-griep hoorde.

Moeder daalt de trap op en af en loopt ons met van alles achteraan, zoals lieve moeders dat plachten te doen.

Na een paar dagen begint de hoofdpijn langzaam aan de terugtocht. En ook de bloedneuzen nemen af. Wat een verademing. En wat voelt het geweldig om gezond te zijn!
Wat een weelde om zonder hoofdpijn wakker te worden, je hoofd te kunnen draaien zonder dat het pijn doet.
We zijn, zo jong als we zijn, echt verzwakt en als we opstaan trillen onze benen. Nee, we kunnen nog niet op zijn en moeten eerst nog een paar dagen opknappen.

En dan wordt het warempel toch nog heel gezellig in de ziekenkamer!

Geplaatst in nu, vroeger | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 6 Reacties

Een warm gezin en een koude kerst!

Vervolg op:  Ons eigen kerkje

Op tweede kerstdag gaan we s’ ochtends weer met zijn allen naar de kerk. Gisteren, eerste kerstdag, waren er twee kerkdiensten. Maar na vanochtend zijn de kerkdiensten afgelopen.

Als we allemaal thuis zijn uit de kerk drinken we koffie. Mijn zus Greetje heeft een vriendin meegebracht.
Op zon- en feestdagen zitten we altijd in de voorkamer. De voor- en achterkamer liggen naast elkaar.

 

De voorkamer vind ik de mooiste kamer van ons huis. De kamer is groot en heel hoog. Op de grond ligt groen zeil en onder de tafel ligt een groot, rood, bewerkt kleed.
De stoelen om de tafel zijn van mahoniehout.
Vanuit de voorkamer kijken we op de voortuin waar kromme, oude mispelbomen staan. De brug over de sloot brengt ons op de weg.

 

Als moeder de kamer binnen komt loopt ze snel naar de kachel.
“ We moeten nog even geduld hebben hoor, ” zegt moeder. Ze opent het klepje bovenin de kachel en gooit een volle kit kolen in de kachel.
“ Ziezo, die kan zijn best weer doen, ” zegt ze terwijl ze het klepje sluit.
“ We treffen het vandaag, de wind komt uit de goeie hoek. De kachel staat straks rood gloeiend. ”

Gelukkig maar, want als de schoorsteen niet wil trekken blijft het heel koud in huis. Maar vandaag wordt het dus lekker warm.

Als we even later om de roodachtige mahoniehouten tafel zitten, zie ik door de mica ruitjes van de haard dat de kooltjes al rood gaan gloeien. Het waait nog steeds, de wind giert uit alle hoeken om ons huis.

                        Mijn zus en broer boven mij en ik in het midden ( 1945)

Op zondag krijgen we altijd een boterbiesje bij het eerste kopje koffie. Maar op feestdagen, zoals vandaag, krijgen we ook bij het tweede kopje een koekje. We drinken extra lang koffie. Er wordt druk gepraat. De broers hebben het over vissen en polsstokspringen.
Het geeft niets als we wat later eten want de hele verdere dag zijn we allemaal thuis. Niemand hoeft de deur meer uit.

Ook op feestdagen eten we de warme maaltijd in de achterkamer, daar staat de grootste tafel. Er ligt een mooi, wit damast tafellaken op de tafel. Daarover een dun, doorschijnend plastic zeiltje. Zo komen er geen vlekken op het laken en ziet het er toch mooi uit.
Moeder vult de diepe borden met soep. Daarna loopt ze naar de keuken en komt terug met de kippenbout. Ze zet de schaal op tafel. Er is meer dan genoeg maar de broers is het niet gauw te veel. Ze weten er raad mee.

Ik eet een klein stukje ervan omdat het moet en stop ermee.
Die kippen liepen eerst gewoon nog in de kippenren. Ze vonden het fijn als ik hen voerde en nu liggen ze gebraden in de pan. Nee, dat past niet bij elkaar.

Na het toetje, als iedereen verzadigd is, haal ik de Bijbel voor moeder. Ieder jaar weer leest ze Lukas II voor. Natuurlijk uit de oude Statenvertaling: En het geschiedde in diezelfde dagen dat er een gebod uitging van keizer Augustus enz.
Vorig jaar heb ik het nog opgezegd op de zondagsschool, ieder woord zit nog in mijn hoofd.  het-kerstfeest-van-de-zondagsschool/
Nu ben ik te groot voor de zondagsschool.
Moeder leest niet het hele hoofdstuk. Ze leest het verhaal tot de herders de stal verlieten. Vanavond tijdens de broodmaaltijd leest zij de rest van het verhaal.

Omdat het vandaag kerstfeest is zingen we na het eten de lofzang van Zacharias: Lof zij de God van Israël. De Heer die aan Zijn erfvolk dacht. We zingen alle psalmen uit ons hoofd.
We hebben ze op school geleerd, op de zondagsschool, of zo vaak in de kerk gezongen dat we ze kunnen dromen.

Als de afwas klaar is gaan Greetje, haar vriendinnetje, Leo en ik “ Mens erger je niet ” spelen. Dat hadden we vanochtend al afgesproken.
We zoeken een plekje waar we lekker rustig kunnen zitten. Aan de tafel is geen plaats meer. Maar tegen een wand staat de divan, daar zitten we prima.
We spelen het spel uren achter elkaar. We willen allemaal een keer winnen en dat lukt niet altijd.

Moeder is even rusten, dat doet zij iedere middag.
Opeens is het stil in de kamer omdat iedereen een boek leest. Nu zijn wij de lawaaimakers. Als er iemand van ons wordt afgegooid en terug moet naar het begin hebben we pret voor tien. Tenminste, als we het zelf maar niet zijn!
Na het rusten, we zijn precies klaar met ons spel, vraagt moeder: “ Mieke, wil jij iets op het orgel spelen? ”

Ik speel, zonder het te vragen, moeders lievelingslied: Aan des Heilands voeten, luis’trend naar de Heer.
Verder speel ik kerstliedjes: In Bethlehems stal, De herdertjes lagen bij nachte en Stille nacht. De lamp boven de tafel is nu ook aan en dat maakt het nog gezelliger. Wie zin heeft om te zingen zingt mee.

De dag gaat veel sneller dan ik wil. Als het avond is mag ik, omdat het kerstfeest is, opblijven tot iedereen naar bed gaat.

Maar vóór we allemaal gaan slapen dankt moeder God voor de vredige Kerstdagen. En vraagt ze God of Christus in ons hart geboren mag worden!

 

Fijne Kerstdagen en een Gelukkig Nieuwjaar!

Geplaatst in vroeger | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 9 Reacties

Ons eigen kerkje

Als ik in het donker naar buiten kijk zie ik de knipperende lichten van vliegtuigen die gaan landen op Schiphol. De komende dagen zal het luchtruim alleen maar voller worden vanwege de Kerstdagen.
Vanochtend was het op het stadsplein ook al loeidruk. Het grote haasten om alle boodschappen, kerstgroen en wat al niet, op tijd binnen te krijgen lijkt ieder jaar vroeger te beginnen. De aangelegde ijsbaan is druk bevolkt.
Het is nu bijna anno 2o20 en de wereld om ons heen lijkt een heksenketel te worden.

Mijn verhaal van vandaag gaat over hoe wij rond 1952 in huiselijke kring ons Kerstfeest vierden. Ik was 13 jaar. De wereld en de gebruiken zijn sinds die tijd enorm veranderd. Tegenwoordig worden er op kerstavond  in veel kerken kerstdiensten gehouden. Die diensten zijn dan overvol. Vroeger was dat niet zo. Alleen in Rooms Katholieke kerken ging men op kerstavond naar de kerk.

Het verhaal gaat over ons grote gezin met negen kinderen. Twee broers waren eerder overleden. Hoe mijn/ons leven er toen uitzag en hoe alles was. De soberheid en rust van die jaren staat mij nog helder voor ogen.

Er kwam zoveel boven dat het twee verhalen zijn geworden.

Ons eigen kerkje

Ik loop vanuit de keuken naar buiten. Het waait zo hard dat ik de deur met moeite kan vasthouden. Het is nog vroeg in de ochtend.
Achter ons huis, tegen de muur, staat het konijnenhok met twee konijnen. We hebben een vrijstaand huis met veel ruimte er omheen.  Achter het huis staat ook nog een grote kippenren met kippen en een haan.

Ik ben zo vroeg omdat ik de konijnen nog een keer wil zien. Vóór ze worden meegenomen.

De konijnen komen meteen naar mij toe.
Met één vinger door de tralie aai ik voorzichtig over hun neusjes en zachte velletjes. Verder aaien gaat niet, mijn vinger wordt tegen gehouden door de tralies. Hun neusjes gaan snel op en neer als ik ze aai. Het lijkt een beetje op het kwispelen van ons hondje als hij blij is.

Wat waren ze schattig klein toen we ze kregen.
Ze zij nu dik en welgedaan door het vele eten. En precies goed om te verkopen volgens mijn broers.

Daar komt mijn broertje Leo al aan met twee juten zakken.
Ik wil het niet zien en ren naar binnen. Vorig jaar was ik er wel bij toen Leo ze meenam, ik weet nog goed dat ze in de juten zakken moesten.
Leo neemt ze mee naar de veiling. Leo is de jongste van de vijf broers. Hij is boven mij, ik ben de jongste. Ik heb ook nog drie oudere zussen.

De veiling is dichtbij, ons huis staat op het veilingterrein en onze tuinderij grenst aan het veilingterrein. Het is druk op de veiling met marktkooplui en tuinders die hun groenten willen veilen. En er is altijd wel iemand die konijn wil eten met kerst

Vorig jaar aten wij ook konijnenbout.
Vlak voordat moeder het konijn braadde zag ik het konijn in de schuur aan een haak hangen. Zijn velletje was er af. Ik vond het zielig en heel eng dat het konijn, nu zonder velletje, met zijn kopje naar beneden aan een haak hing.

“Dit jaar eten wij kippenbout,” zei moeder.

Op kerstavond lijkt het een beetje zaterdagavond. Moeder heeft alles klaar en zit aan tafel. De geur van gebraden kip hangt nog in de keuken. Ik moet deze avond nog op gewone tijd naar bed. Maar dat is niet erg want dan is het snel morgen.

Eerste kerstdag ben ik vroeg wakker. Het fladdert in mijn buik. Ik voel mij blij omdat het kerstmorgen is. Kerstfeest is het fijnste feest van het jaar, vind ik. Het is altijd heel gezellig en het duurt twee dagen lang. En als we vanmiddag gaan eten zijn we er allemaal.

Bij mijn vriendinnetje is het huis versierd en er staat een kerstboom met kaarsjes. Moeder vindt je huis versieren en een kerstboom met kaarsjes heidens, zegt ze. Ons huis is niet versierd maar dat kan mij eigenlijk niets schelen. Het is bij ons zonder versiering al heel gezellig!

Als ik de achterkamer binnen kom, zit bijna iedereen al aan de ontbijttafel. Moeder zit aan het hoofd van de tafel en wacht tot iedereen er is. Ik ril, het is nog vroeg in de ochtend en de kamer is koud. Het duurt lang voordat de grote hoge kamer is verwarmd. Als iedereen zit kunnen we gaan ontbijten. Maar eerst bidt moeder. Sinds onze vader 13 jaar geleden is overleden, is het moeder die bidt voor het ontbijt.

 

 

 

Mijn ouders in de jaren twintig van de vorige eeuw.

 

 

 

Na het eten zingen we, als voorbereiding op de kerkdienst, een psalm. Ik luister, terwijl ik meezing, naar de stemmen. Het voelt een beetje zoals de kerk, maar nog meer als ons eigen kerkje. We zijn heel dicht bij elkaar als we zingen.

Moeder heeft haast. Ze zet haar zwarte hoed op. Alle kleren die moeder aan heeft zijn zwart. Ik zet ook mijn hoedje op want meisjes in onze kerk dragen een hoed tijdens de kerkdienst. Op eerste kerstdag loopt moeder naar de kerk want dan is het zondag en is fietsen zondig, zegt ze. Morgen, tweede kerstdag, gaat zij wel op de fiets want dat telt niet als zondag.

Ik loop altijd met moeder mee, mijn broers en zussen gaan op de fiets. Het is best een eind naar de kerk. Wel drie kwartier lopen.

Even later lopen we over de nog stille Gebroken Meeltijd naar de kerk aan de Voordijk. Het waait nog steeds en het is koud. Af en toe grijp ik naar mijn hoedje het waait bijna af.

Wordt dv vervolgd op tweede kerstdag.

 

 

 

Oude Christelijk Gereformeerde kerk aan de Voordijk.

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in vroeger | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , | 5 Reacties

Niet alleen Belgen voelen zich eenzaam

Het is al weer wat jaartjes geleden dat ik op bezoek ging bij een oudere dame in een bejaardenhuis, met wie ik al jaren bevriend was. Bij binnenkomst bleek één van haar dochters er ook te zijn.
We zaten gezellig te keuvelen en opeens, schijnbaar uit het niets, zei mijn vriendin tegen haar dochter: “niemand begrijpt mij”. Het klonk als een eenzame aanklacht.

Ik las dat bijna de helft van de Belgen zich soms, tot bijna altijd, eenzaam voelt.
En ook dat het niet ongewoon is om je soms eenzaam te voelen. We maken van alles mee in ons leven. En we vinden het vaak moeilijk om te praten over dingen die niet lekker lopen of ons dwars zitten. En zo sjouwen we alleen met onze problemen rond.

Bij mijn vriendin was het anders. Zij wilde wel praten maar haar dochter hield de boot af. Ik luisterde naar het gesprek tussen moeder en dochter en ook ik hield mijn mond.
We schrokken beiden van haar directheid, denk ik. Het is niet zo onze gewoonten om onze gevoelens op tafel te leggen. En zeker niet als het gaat over zielenpijn zoals eenzaamheid, onbegrepen gevoelens en angsten.

Mijn vriendin woonde in een toen nog bestaand bejaardenhuis.
Ze had kinderen die haar trouw opzochten en toch sprak zij over eenzaamheid. Haar dochter antwoordde : “Ik begrijp u pas als ik zelf oud ben”.
En dat was eigenlijk een mooi en waar antwoord. Maar wat mijn vriendin dwars zat bleef zo wel in de lucht hangen.
Was ze eenzaam ondanks veel mensen om haar heen? Viel het proces van ouder worden, aftakeling en loslaten haar zwaar? Miste zij juist nu haar lang geleden overleden echtgenoot? Was zij angstig?

Haar dochter was nog jong. Hoe kon ze voelen wat haar moeder nu meemaakte?
Daar moest zij eerst zelf oud voor worden.
Achteraf vond ze het wel jammer dat ze niet had doorgevraagd maar vluchtte voor wat haar moeder zei, bang voor een moeilijk gesprek.

Ze had willen vragen wat haar moeder zo eenzaam maakte en wat zij zo moeilijk vond. En waarin zij dan niet begrepen werd. Ze noemde het een gemiste kans om te praten

We zijn jaren verder in de tijd. Alleen mijn grijze haren vertellen het al: ik ben ouder geworden. En anders zie ik het wel aan mijn ouder wordende kinderen.
Ik weet nu hoe het voelt om oud te zijn. Pas zei een lotgenoot tegen mij: “ik wist niet dat oud worden zo moeilijk was.” Ik vrees dat meer ouderen dat zeggen.
Ook al staan onze kinderen om ons heen, dragen zij zorg voor ons, oud worden is van jezelf.

Het leven van onze kinderen is druk en gevuld. Ze krijgen zelf kinderen en kleinkinderen en staan daardoor nog in het volle leven. Zo is het altijd geweest en zo zal het altijd zijn!
We zijn in ons leven op de plaats waar we nu zijn.

Het is fijn, en ik denk goed, als we naast ons gezin andere contacten en vriendschappen hebben. Want misschien, nee niet misschien, hebben we elkaar nodig. Het helpt als wij als ouderen er met anderen over kunnen praten.
Als we kunnen delen hoe het voelt om ouder te worden. Dat alles wat moeizamer gaat en dat ons lichaam soms krakkemikkig is. En dat we bijna allemaal pillen slikken.
We mopperen met elkaar over de maatschappij die zo snel verandert. Dat we buiten adem raken om alles bij te benen. En het helpt we zijn tenslotte lotgenoten!
En hoewel we onze kinderen lief en goed vinden praten we over onze eenzaamheid die bij het ouder worden om de hoek komt kijken.

Maar we weten ook dat er meer is dan oud voelen, oud zijn.
Er zijn gelukkig zijn ook veel fijne dingen om met elkaar te doen.

Het zou heel kortzichtig, bijna dom, zijn om te denken dat alleen ouderen eenzame gevoelens kennen. Want eenzaamheid komt op alle leeftijden voor.
Ik herinner mij nu weer hoe ontzettend eenzaam ik mij voelde toen ik een bakvis was. (de tegenwoordige puber)
Ik voelde mij onbegrepen en opgesloten in mezelf. Het was een heel naar gevoel.

Niemand die het aan mij zag. Ik was er bijzonder goed in om het te verbergen. Schaamde mij ervoor en dacht dat ik dit alleen voelde.

Er zijn vandaag de dag heel veel jongeren die zich eenzaam en onbegrepen voelen. En dat is geen wonder lijkt mij in deze tijd van smartphones, digitale contacten en het alom druk hebben.

Er wordt veel over gesproken. En er worden allerlei acties ondernomen. Zo wordt in ons land ieder jaar een week uitgeroepen tot week tegen de eenzaamheid. Het is een mooi gebaar en een goed begin.
Maar een week van aandacht zet geen zoden aan de dijk, lijkt mij. Er is meer nodig tegen de plaag van eenzaamheid.
Zo zijn er in Amstelveen, de woonplaats waar ik woon, allerlei buurtrestaurants waar je kunt binnen lopen om te eten tegen een schappelijke prijs.
Mensen worden ook persoonlijk gevraagd iemand mee te brengen. En dan nog lukt het niet altijd dat mensen de stap wagen en komen.

Als bijna de helft van de Belgen zich soms, tot bijna altijd, eenzaam voelt dan is de eenzaamheid heel groot. Het zal in ons land wel ongeveer hetzelfde liggen
Ik hoop dat iedereen de moed vindt en het aandurft om er zonder schaamte over te praten, omdat het een menselijke emotie is.
Vooral ook jongeren. Dat er dan iemand is die naar je luistert en voor je open staat, omdat bijna iedereen het gevoel kent.

Het zijn vaak de kleine dingen naar elkaar die een wereld van verschil maken.

 

 

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , | 4 Reacties

De Wind waait waarheen hij wil!


Hoe wordt mijn blog ontvangen? Een angstige vraag die regelmatig boven kwam. Ik had bijvoorbeeld ook nog nooit van een blogniche gehoord.
Inmiddels weet ik dat een blogniche het min of meer vaststaande thema is van je blog. In de regel is het iets waarvoor je een speciale belangstelling hebt. Meestal weerspiegelt dit thema zich in de naam van je blog.
Ik wist dus niets van dit alles en was al lang blij dat ik een naam voor mijn blog wist. En soms is iets niet weten heerlijk gemakkelijk, zoals hier dus.

Geplaatst in nu | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 3 Reacties

Zij leven in ons voort!

Het is al weer een poos geleden dat we als zussen en broers op een verjaardag in een grote kring bij elkaar zaten.
Toen we allemaal gepensioneerd waren spraken we af om onze verjaardagen in de ochtend te gaan vieren. En wat was dat gezellig.
Er werden verhalen, herinneringen opgehaald uit onze jeugd. Vooral de ouderen zaten vol verhalen.

Tot ons groot verdriet werd bij het verstrijken der jaren onze kring kleiner.
En nu, als we elkaar al zien op een verjaardag, is het kringetje heel klein geworden.

Een klein kind heeft het nog niet over vroeger. Leeft nog in het nu.
Toch word je als kind al snel wijzer en ervaar je dat dingen voorbijgaan.
Wat keek je als kind uit naar je verjaardag. Je telde de nachtjes.
En op de avond van je verjaardag kroop er langzaam een naar gevoel in je naar boven. Je wist morgen ben ik niet meer jarig, is het voorbij.
Dan is al die belangstelling voor mij in rook opgegaan.
Als je ouders het begrepen, mocht je de volgende dag nog een beetje jarig zijn. Maar dat voelde toch als surrogaat, als een soort troostprijs.
En zonder dat je het besefte ervoer je dat dingen voorbijgaan, herinneringen worden. Soms reist zo’n herinnering een heel leven met je mee

Blijft over dat je als kind hoopt dat het gauw volgend jaar is om weer  jarig te zijn.

Jammer genoeg zijn niet alle herinneringen mooi. Ook niet van kinderen.
Mia was 14 jaar, en kwam haar kleine zusje ophalen dat met Judith speelde.
Ze wilde wel even blijven en wat drinken.
Ze zag er verdrietig uit, en vertelde over haar vader die een paar weken geleden was overleden. Haar vader was haar grote vriend geweest. En nu was hij er niet meer!
“Maar” zei ze zichzelf troostend: “Hij leeft in mij voort!”
Ik keek haar verwonderd aan. Deze woorden? Ik verwachtte ze  niet van een veertienjarig meisje. Het waren geen loze woorden, ze had er over nagedacht dat zag ik aan haar. Ja, haar vader was dood en dat vond zij vreselijk.
“Maar” zei ze letterlijk, “hij leeft voort in mijn hart!”

Zo denk ik vaak aan die vriendin van vroeger die in mij voortleeft.
We zagen elkaar bijna iedere week wel een keer.
Het is al weer jaren geleden dat zij overleed. En na al die jaren komt zij weer voorbij in mijn leven. Hoor ik weer haar zachte stem. Ben ik weer bij haar op de thee.
Theedrinken bij haar was een gebeurtenis op zichzelf. Een specialisme van haar. Ik had nog nooit thee met rum op. Zij zette thee met rum en die thee was meer dan lekker!
Het hele theegebeuren was bijna een ceremonie. De rust, de toewijding waarmee zij de thee inschonk en serveerde was heel bijzonder.

Ze vertelde graag en veel over vroeger, vooral over haar kinderjaren.
Haar vader was landarbeider en moest schnabbelen om de kost te verdienen voor het gezin.
Soms stond hij kort voor de wagen en kregen de kinderen er van langs. Met de klomp die hij aanhad. Er was geen enkele boosheid bij haar te bespeuren als zij het vertelde. Alleen begrip voor het harde bestaan van haar vader.

Ze vond het geweldig, en een voorrecht dat zij al jongste van het gezin de kans kreeg om naar de MULO te gaan. En dat zij daardoor werk had gevonden dat bij haar paste.
Op oudejaarsavond las haar vader, als de klok twaalf sloeg, Psalm 90 voor.
Hij las voor uit de oude Statenvertaling. Ze vertelde het graag en vaak. Herhaalde dan de gedragen woorden: Heere, Gij zijt ons een toevlucht geweest van geslacht tot geslacht. enz
We hadden elkaar gevonden als het over taal ging. Bezongen samen onze schone moedertaal.

Nadat ik verhuisde zijn we elkaar door onduidelijke afspraken uit het oog  verloren.
Tot op een dag de telefoon overging en ze mij belde. Ze vertelde dat zij ernstig ziek was en niet meer lang zou leven. Voorzichtig zei ze: “je moet niet van mij schrikken hoor!”
Ik was heel blij dat ze belde en ben snel naar haar toegegaan.
Ze was zoals altijd heel vriendelijk. Ze was dankbaar en blij met haar leven, met hoe alles was gegaan. En ze kon het leven, vol vertrouwen op een eeuwig leven, loslaten. We namen afscheid, ik wist dat ik haar niet meer zou terugzien.

Tijdens de afscheidsdienst in de kerk werd op haar uitdrukkelijke verzoek psalm 90 gelezen uit de Oude Statenvertaling. Hoewel er altijd Nieuwe Vertaling werd gelezen.
Ik hoorde tijdens de lezing niet de stem van de dominee, maar haar stem die vertelde over haar vader.

Na haar overlijden drong het pas echt tot mij door hoeveel zij mij in haar leven gaf. Haar eenvoud, haar gevoel voor schoonheid, haar milde kijk op de dingen draag ik als parels met mij mee. Zo leeft zij in mij voort.

Als kind verloor ik twee broers.
De herinneringen aan hen zijn mij al die jaren bijgebleven. Nog altijd zie ik beelden van hen hoe zij waren. Ze hebben mijn leven vergezeld en zijn onuitwisbaar in mij aanwezig.
Blogs: onafwendbaar/en pinksterdagen-die-ik-nooit-vergeet/

Vroeg of laat ervaren we het diepe verdriet dat onze ouders sterven. Maar naast heimwee en gemis, leven onze dierbare doden in ons voort.
Zo vertelde mijn moeder, toen zij bijna negentig jaar was, nog verhalen over haar vader en moeder.

En nu ik oud ben zijn zo veel meer dierbaren mij voorgegaan.
Zij hebben hun plaats in mijn hart!

Lieve lezers er komt een kleine verandering in de werkwijze van mijn blog.
Tot nu toe beantwoordde ik alle reacties die binnenkwamen. Jullie reacties maakten mij altijd weer blij! De laatste tijd merk ik dat het mij te zwaar gaat vallen om ze te beantwoorden. Ik hoop en vertrouw erop dat jullie ook blijven reageren zonder antwoord van mij.
Ik zal ze met evenveel aandacht en interesse lezen. Jullie reacties zijn een aanvulling op mijn blog!

 

Geplaatst in nu, vroeger | Getagged , , , , , , , , , , , , , | 9 Reacties

Mijn ‘eigenwijze’ computer

Met mijn smartphone in mijn hand weet ik ineens waar dit blogje over zal gaan: over eigenwijsheid.Volgens het woordenboek ben je eigenwijs als je altijd denkt het beter te weten.

Eigenwijze mensen? Ik kom ze nogal eens tegen.  
Je hoort vaak zeggen: “O, die is zó eigenwijs”.
Je hoort zelden of nooit iemand zeggen: “ik ben zó eigenwijs. Terwijl je misschien deze ‘vervelende’ eigenschap wel bezit. Trouwens, ik vrees er zelf ook niet van verschoond te zijn.

Maar dat mijn smartphone er last van zou hebben had ik niet verwacht.
Toen ik hem kocht was er geen vuiltje aan de lucht.
Natuurlijk had ik de nodige bedenkingen bij de aanschaf, zo van waar je begin je nu weer aan? Moet je nog meer tobben om alles onder de knie te krijgen? Maar eigenwijs als ik ben, kwam de smartphone er gewoon.

Zo-even wilde ik een appje versturen met een ‘eigennaam’. Dat had ik gedacht.
Mijn smartphone had een heel andere kijk op de naam die ik intikte.
De naam was nieuw voor hem en dan geldt voor hem: onbekend maakt onbemind. Met andere woorden, ik vind die naam niet juist.
Hij maakte de wonderlijkste combinaties van de naam die ik intikte.
Soms heel hilarisch wat hij er van maakte.
In het begin, toen ik nog niet op de hoogte was van zijn capriolen, verstuurde 
ik soms die vreemde woordconstructies de wijde wereld in. Dom natuurlijk want overlezen is een basisvoorwaarde voor je iets verstuurt. Dan kom je de fouten vanzelf tegen.
Na drie, vier keer opnieuw intypen verscheen tot mijn voldoening de naam met de goede spelling op mijn scherm.
Zou hij mijn irritatie over zijn gedrag misschien begrepen hebben door de hardere tikken die ik op het toetsenbord gaf? 

Nu is, bij nader inzien, omgaan met een ‘eigenwijze’ smartphone best te doen. Ik heb nog nooit echt ruzie met hem gehad, en dat krijg ik ook niet. 
En de nieuwe naam van vandaag heeft hij nu keurig opgenomen in zijn geheugen.
Zo is hij ook!
Als hij begrijpt wat ik persé wil, past hij zich aan. Dit weet ik uit ondervinding.
Daarom is mijn smartphone ook niet echt eigenwijs te noemen.
Uiteindelijk blijkt, dat mijn smartphone een digitaal ‘ding’ is. En dat ik, na wat gesputter van zijn kant, hem toch mijn wil kan opleggen en naar mijn hand kan zetten.

Deze week ging ik even bij mijn kleindochter Laura langs. Altijd weer leuk, en ik zie gelijk mijn achterkleinzoon.

Het was tijd voor Kilian om te eten. Dat hij keurig opat wat zijn moeder hem wilde voeren dat hadden we gedroomd.
Zijn hoofd ging van links naar rechts met een stelligheid waar niet aan te tornen viel. En je moet van goede huize komen om dat willetje te breken.
Natuurlijk, als ouder ben je de sterkste en kun je zijn wil onder luid protest naar je hand zetten.
Mijn moeder zei altijd: “bij ons zit de baas in de kinderstoel”.
En zij kon het weten, was ervaringsdeskundige met 11 kinderen.
En ook vandaag zat hier de baas in de kinderstoel. Met zijn willetje.
Maar het kwam goed, het geschil werd in der minne beslecht.
Zonder harde woorden. Wat vroeger vaak tegen kinderen werd gezegd: je wil zit op je bil, was niet aan de orde.

Kilian wil groot zijn en zelf eten. Hij mocht zijn stukjes brood zelf oppakken van de kinderstoel. En zó leuk om te zien hoe handig dat hem afging met die kleine, dunne vingertjes!

Ik wil zelf eten!

Kilian wil wil zelf ervaren en leren. Wil zelf ontdekken hoe de wereld in elkaar steekt.
Als hij straks drie jaar is en in de koppigheidsfase belandt, zal zijn hoofd nog stelliger heen en weer gaan. Laura kan haar borst nog natmaken. Ik wens haar nu al sterkte.

Tja, eigenwijze kinderen? Ze zijn er altijd geweest. We hebben zo onze verwachtingen en denkbeelden over onze kinderen. We hopen dat het eerzame burgers worden en dat zij een goede plek vinden in de maatschappij.
En omdat we het zo goed met ze menen, denken we vaak te weten naar welke scholen ze moeten. En soms ook nog wat voor beroep zij moeten kiezen. Veel ouders hebben wat dit betreft leergeld moeten betalen.

In mijn boekenkast staat een boek: De code van de ziel. Het is geschreven door een Amerikaanse hoogleraar psychologie .
Hij stelt dat ieder kind een blauwdruk in zich meedraagt wat aanleg en intelligentie betreft, van wat het worden zal. Hij heeft het in zijn boek over kinderen die een goed verstand hebben, soms zelfs heel intelligent zijn, en er op school niets van bakken. 

Ze gedragen zich recalcitrant. Ze maken hun scholen niet af. Lopen weg van school tot frustratie en verdriet van hun ouders. Vaak ook tot verdriet van de kinderen zelf.
Deze kinderen worden vaak ‘eigenwijs’ genoemd. Waarom doen ze niet beter hun best? Waarom draaien ze niet gewoon mee?
Omdat ons onderwijs in de meeste gevallen een eenheidsworst is. Een confectiemodel waarin niet ieder kind vanzelfsprekend past. Waarin ‘anders zijn, anders voelen’ niet past.
Na allerlei omwegen, frustratie en verdriet komen ze vaak terecht op de school of plaats waar ze zich thuis voelen.
Pas als ze ‘eigenwijs’ genoeg zijn om zichzelf te durven zijn, hun aanleg durven/kunnen volgen worden ze zoals ze zijn bedoeld. Ze belanden vaak in creatieve beroepen. 

Hetzelfde geldt trouwens voor minder begaafde kinderen. Ook zij dreigen uit de boot te vallen. Ook dan is het oppassen geblazen om uit te zoeken waar je kind naar toe kan om zich optimaal te ontwikkelen. Waar worden ze gelukkig van? Hoewel daar tegenwoordig hopelijk wel over wordt nagedacht. Al hoor ik ook soms nog van misstanden.

Mijn smartphone ligt braaf naast mij op tafel. Onwetend dat zijn gedrag mij tot dit schrijven bracht.
Ik ben vandaag tevreden over hem, hij heeft zijn best gedaan. En, hopelijk heeft hij de nieuwe naam in zijn programma opgenomen.

Mijn vragen zijn: Wanneer ben ik eigenlijk eigenwijs? Is eigenwijsheid wel een nare eigenschap?
Als ik weet, inzicht heb in, en voel welke weg ik moet gaan is dat eigenwijs?
Of heeft het meer te maken met handelen naar ‘eigen wijsheid’?

Allemaal aan de smartphone!

Geplaatst in nu | Getagged , , , , , , , , , , , , , , | 6 Reacties