Plattegrond van mijn handtas

In mijn boek noem ik de mensen waarover ik schrijf bij hun roepnaam.
Ik heb besloten dit vanaf nu ook op mijn blog te doen. Voor mensen die mijn boek hebben gelezen zijn de namen al bekend.
Voor anderen zal het misschien even wennen zijn, maar het wordt vanzelf duidelijk. En verder is mijn boek in iedere boekhandel nog bestelbaar, dit even terzijde.

Het overkomt mij tegenwoordig meer dan vroeger dat ik dingen vergeet. Gelukkig overkomt het niet mij alleen, in gesprekken met leeftijdsgenoten hoor ik niet anders. Dat is een troost, niettemin een schrale!

Het gebeurt soms dat ik aan de kassa bij de Jumbo koortsachtig moet zoeken naar mijn portemonnee.
Vandaag is het weer hetzelfde liedje, en daar gaan we weer.
Hup, rits open, hier? Nee. Volgende rits, nee. O, hier in het vak aan de achterkant, natuurlijk. Nee, nee. Het zweet breekt mij uit. Waar is mijn portemonnee, waar zit dat ding ? Achter welke rits? Binnen in de tas dan? Volgende rits open, ook niet!
De kassière blijft beleefd en wacht in een veelzeggend zwijgen.  Achter mij staat een dame die, niet bepaald zacht, een diepe zucht slaakt.
Ten einde raad begin ik dezelfde zoektocht opnieuw. En jawel hoor, hij zit gewoon in het vak waarin ik hem “bijna” altijd opberg.
Van een gat in de lucht springen is geen sprake, de dame achter mij staat al met haar portemonnee klaar om af te rekenen.

Als ik haastig naar buiten loop bots ik bijna tegen de  straatkrantverkoper op.
In weer en wind staat hij hier, bij de entree van de Jumbo. Het is vandaag vrijdag en hij weet, éénmaal per week ben ik zijn klant. Hij kijkt mij  verwachtingsvol aan. Hoe is dat voor hem om de straatkrant te verkopen? Was dat zijn levensverwachting?
Tot nu gaat de transactie zwijgend en bij het afscheid lacht hij mij, zoals altijd, vriendelijk toe. Ik denk dat hij uit Nigeria komt, hij is gekleurd, lang en slank, met een voortdurende glimlach op zijn gezicht. Wat voor verhaal zit er achter die glimlach? Hoe is hij naar hier gekomen, en waarom? En waardoor is hij verslaafd geraakt zodat hij nu in de opvang zit voor thuis en- daklozen? Ik wil toch eens een praatje met hem maken en vragen uit welk land hij komt.

Vergeetachtigheid en ook dementie moeten we, volgens de bekende Hoogleraar Bewegingswetenschappen dr. Erik Scherder, te lijf gaan. Vooral niet lijdzaam ondergaan, maar aan de slag ermee. Er is van alles aan te doen. Het gaat allereerst om bewegen, bewegen, en nog eens bewegen. Excuses dat het te zwaar is, of dat je niet ver kunt lopen? Die gelden niet meer, want je mag het naar eigen kracht en in je eigen tempo uitvoeren. Veel wandelen en buiten zijn is goed voor de hersenen.  Inventief zijn, nieuwe dingen oppakken is heel goed voor onze hersenen.
Met je hersenen bezig blijven is niet moeilijk, heb ik ontdekt. Er wordt van alles aangeboden om te oefenen.  Zo heb ik bv. de geheugentrainer van Max op mijn smartphone gezet en daar kun je je hart bij ophalen, allerlei oefeningen te kust en te keur.

Iets vergeten vindt niemand leuk. Al is het wel hilarisch als ik met mijn bril op, mijn bril loop te zoeken. Het kan trouwens nog gekker. Ik heb een boekje met de titel: Mijn bril in de koelkast!

Dat verstrooide en vergeetachtige kan soms ook twijfel oproepen, en de vraag: ik zou toch niet dement worden? En die vraag is niet zo vreemd. Iedereen kent wel iemand in de naaste omgeving die eraan lijdt, en weet van nabij hoe verdrietig en ingrijpend het is. Dementie is meestal een ouderdomsziekte. Er wordt veel onderzoek gedaan naar het ontstaan van de ziekte en wat het proces wellicht kan vertragen.
Als kind hoorde ik de slogan: herhaling is de toverkracht van de reclame. Aan herhaling ontbreekt het niet bij dr. Erik Stegger. Hij beukt zijn lessen erin, en ze bereiken een breed publiek. Wie weet inmiddels niet dat wandelen medicijn is voor je brein, wat het doet met  de grote en kleine hersenen, en dat muziek veel met onze hersenen doet?

Ik voel opluchting bij het enthousiasme van dr. Erik Scherder
Het weten dat ik zelf iets kan doen aan mijn lichamelijke en geestelijke gezondheid inspireert. Al weet ik ook dat ik niet alles in eigen hand heb, ouder worden is een proces waarin van alles mis kan gaan.

Hoorde ik iets over inventief zijn? Ineens weet ik het. Ik ga het zoeken in mijn handtas oplossen zodat mijn wanhoop tot het verleden behoort.
Als ik nu eens alles in hetzelfde vak opberg is er toch geen vuiltje aan de lucht?  Dat ik daar niet eerder aan dacht?  Hoe eenvoudig is de oplossing.
Natuurlijk kan ik een tas met minder ritsen opzoeken en alles in één vak bij elkaar kwakken, maar dat is het nu net niet. Bovendien is het dan evengoed zoeken geblazen. Nee, alles moet geordend en op vaste plaatsen te vinden zijn, zoals in mijn kasten, waar ik blindelings de weg weet.

Naar aanleiding van onze veelvuldige verhuizingen tekende Frans altijd een plattegrond op schaal van ons toekomstige huis. De uitgeknipte meubels, ook op schaal getekend, verhuisden mee van huis naar huis. En als voorpret, eindeloos met de meubels over de plattegrond schuiven.
Tot de huidige meubels echt oudtands werden en we nieuwe kochten, waarop Frans wederom aan het tekenen sloeg. In mijn hoofd ontstaat  een lumineus plan.
Dat kan ik natuurlijk ook met mijn tas doen: gewoon even een plattegrond ervan maken. Ik houd het wel heel eenvoudig want zo technisch ben ik nu ook weer niet. 😉

Als alle attributen een vaste plaats krijgen in mijn tas is er geen vuiltje meer aan de lucht. Mijn hart maakt lichte sprongetjes: natuurlijk, dat is het. Nooit meer wanhopig zoeken, maar weloverwogen de betreffende rits openen, en gedecideerd naar boven halen wat ik bedoel.

Toen ik dochter Mariska van mijn vinding vertelde barstte ze in luid lachen uit.
Maar dat geeft niet, laat haar maar lachen. Bijzondere uitvindingen worden vaak niet meteen omarmd, daar gaat altijd een poos overheen. Ik heb geduld!   😉
Na haar lachbui zei Mariska ook nog: “Nou dat is wel een blogje waard”, en dat vind ik zelf eigenlijk ook!

De uitvoering van mijn plan blijkt kinderlijk eenvoudig, en het tekenen een peulenschilletje, want met de plattegrond is het  anders gelopen. Uiteindelijk resulteert het in drie strepen die de drie ritsen in mijn tas voorstellen
Op de strepen staan de attributen die in het desbetreffende vak horen. De tas heeft aan de voorkant twee ritsen, en aan de achterkant één.

                             

smartphone          schrijfboekje             pen                 agenda
————————————————————————–     rits                                        –

zakdoekjes                kam                   creme/etc             potlood
——————————————————————— —–      rits

portemonnee          portefeuille           bril           mondkapje
———————————————————————- ——       rits

En nu nog de hamvraag: heeft de operatie nog zoden aan de dijk gezet?
Jazeker,  afrekenen is inmiddels een fluitje van een cent en mijn tas lijkt mijn kast wel!

En vandaag dacht ik echt nog : wat is het een rust en wat fijn dat ik nu zonder zoeken, blindelings alles kan vinden in mijn tas. Zo lachwekkend blijkt het dus niet!

Geplaatst in nu | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , | 10 reacties

Rondreis van een kistje

In iedere familie huizen verhalen die verteld willen worden. Als we ze doorgeven schrijven we geschiedenis.

Het is alweer wat jaren geleden dat een nichtje mij belde voor een afspraak. Ze wilde, samen met haar man, eens langs komen. En natuurlijk waren ze van harte welkom!
Als de deurbel op de bewuste dag gaat is het dan ook geen verrassing wie er voor de deur staat. Wat fijn om elkaar weer terug te zien.
Een bakkie troost is meer dan welkom na de reis. Na wat gezellig heen en weer kletsen haalt mijn nichtje een dik boek uit haar tas, met grauw papier gekaft. Er gaat vaag een lampje bij mij branden.
Als ik het boek inkijk lees ik: The Holy Bible! Ineens ontrolt zich voor mij de overgeleverde geschiedenis: dit is de bijbel van mijn vader. Hij bracht hem mee toen hij in zijn jonge jaren terug kwam uit Amerika. Er werd, toen wij kinderen waren, niet uit gelezen, maar hij werd wel heel zuinig bewaard.

Mijn nichtje duikt opnieuw in haar tas en zet nog iets neer.
“Kijk,” zegt ze, “dit heb ik ook voor u meegebracht. Ik heb het geërfd toen mijn moeder overleed. Ik denk dat het bij u beter op zijn plaats is dan bij mij.” Voor mij staat een mooi mahoniehouten kistje.

 

Ik weet even niet wat er met mij gebeurt.
Dan strijken mijn handen voorzichtig over het hout. Hoe lang is het wel niet geleden dat ik het voor het laatst zag?
Het stond in mijn kinderjaren bij ons thuis, als stil aandenken aan mijn overleden vader.

Het kistje heeft iets speciaals voor mij. Het vertegenwoordigt het raadsel en de vragen die ik heb over mijn “onbekende” vader. Een vader die ik miste, zonder dat hij ooit persoonlijk deel uitmaakte van mijn leven, en stierf voordat ik werd geboren.

Het kistje heeft inmiddels een hele rondreis gemaakt, evenals de eerste eigenaar: mijn vader.
Mijn oudste zus Corrie erfde het kistje toen mijn moeder overleed. Ze was er ontzettend blij mee. Het was nergens zo welkom als bij haar. Ze hield ontzettend veel van haar vader.
Zij was het die mij eindeloos en met veel trots verhalen vertelde over onze vader. Hoe zij achterop de fiets meeging naar de markt in Rotterdam. Hoeveel zij van hem had gehouden. Hoe zorgzaam hij was voor het gezin en hoe bijzonder hij voor haar was.

En nu heb ik het kistje, na allerlei omzwervingen, in mijn handen. Het heeft precies de warme, roodbruine, mahoniehouten kleur die ik mij  herinner. 
Vroeger bij ons thuis zaten er belangrijke documenten in: het trouwboekje van mijn ouders, herinneringen uit de oorlogsjaren, etc.

Wat lief dat ze mij het kistje geeft, ze maakt mij heel blij. Ik wist niet waar het was gebleven nadat Corrie overleed.

Het wordt een gezellige ochtend waarin we oude verhalen ophalen. We kletsen over nu en over vroeger. We zijn beiden verhuisd. Even herleeft Barendrecht weer in oude glorie. Wat is er veel veranderd de afgelopen jaren, en zo keuvelen we maar door.
Als ze naar huis zijn gegaan krijgt het kistje een mooi plaatsje in mijn slaapkamer. Ik kijk er niet in omdat ik ervan uitga dat het leeg is.

Vorig jaar dacht ik ineens: dat is waar ook, er zit in het kistje een laatje dat je bijna niet kan vinden – zo mooi is het weggewerkt. Een geheim laatje, toch eens even kijken waar het zit.
Ik pak het kistje en mijn handen tasten langs het hout, terwijl ik voel en kijk.
O, hier heb ik het. Als ik het laatje open trek ben ik stomverbaasd. Er ligt een envelop in het laatje. Ik word heel nieuwsgierig, wat zit er in de envelop?

Een stapeltje kaarten, ansichtkaarten, zie ik.
Het voelt raar om die kaarten te bekijken. Ze zijn niet van mij, en ook niet aan mij gericht. Maar aan wie dan wel? Het zijn dezelfde kaarten die mijn moeder toen ik nog heel klein was ook al had. Weliswaar nu nog meer vergeeld dan toen.
Als een kind zo blij draai ik de kaarten om en om, wat een verrassing dat ik die oude kaarten terugvind. Nieuwsgierig kijk ik op de achterkant. En dan zie ik het.
Het zijn de kaarten die mijn vader vanuit Amerika aan mijn moeder stuurde. Mijn moeder vertelde er altijd over. De datum staat er op: 1910!
Sommigen zijn met een potlood geschreven en bijna niet meer leesbaar. Van ballpoints had nog niemand gehoord en inkt had mijn vader daar waarschijnlijk niet altijd voorhanden.

Maar het mooiste is dat de kaarten mij vertellen over de liefde tussen mijn ouders. Hoe bijzonder is dit!

Corrie heeft mijn vader wel gekend. Zij verloor hem toen zij 19 jaar was.
Zij compenseerde het gemis door aan mij de mooiste verhalen over mijn vader te vertellen.
Zo gaf ze mij een mooi, helder beeld van hem mee, en bracht hem dichter naar mij toe.
En hoe bijzonder, door ze aan mij te vertellen werd Corrie zelf ook blij.

 

Geplaatst in nu, vroeger | Getagged , , , , , , , , , , , , , | 18 reacties

Over oud worden en oud zijn

“Hoe voelt het om oud te worden?” vroeg jaren geleden iemand aan mij.
“O, daar voel je niks van” zei ik. “Je geest blijft jong.
“Ja, dat zei mijn vader ook altijd” was haar antwoord. Hiermee was de kous afgedaan, het gesprek afgelopen. Op haar zomaar terloops gesteld vraag, had ik wel heel snel een antwoord klaar.

Maar voelde ik echt niets van van het ouder worden? Of wilde ik zo lang mogelijk jong blijven en er niet aan denken?
Als je goed keek was het echt wel te zien dat ik ouder werd. In mijn gezicht tekenden zich kraaienpootjes af en mijn haar werd grijs. Bovendien, de kalender loog er ook niet om.
Er meldden zich ook wat kwaaltjes. Maar oud? Nee dat was ik nog lang niet.
Ineens herinnerde ik mij dat mijn moeder altijd zei: “Oud worden wil iedereen, maar oud zijn wil niemand.”

Je bent niet opeens oud. Je wordt iedere dag een beetje ouder. Het is eigenlijk een geniepig, sluipend proces, totdat je er niet meer omheen kunt.

Zo verging het ook mij. In de loop der jaren veranderde er veel in mijn leven. De volwassen kinderen kwamen met partners thuis. Er werd getrouwd, er kwamen kleinkinderen en als kers op de taart kregen we een achterkleinzoon. Het leven was vol afwisseling en drukte.

Mijn achterkleinzoon

De tijd verstreek, ik werd ouder, er overleden dierbaren en oudere vrienden. Langzamerhand werd mijn leven stiller.
En dit jaar werd ik tweeëntachtig. Dan wordt je voorwaar geen achtentwintig. Ik weet het, ik ben oud – ook al voel ik mij vaak nog jong. Maar toenemende kwaaltjes vertellen het ook.
Er ligt een lang leven achter mij ligt. Een leven waarin veel gebeurde. Het leven is niet langs of om, maar door mij heengegaan. Leven laat sporen na.
Ik weet van vreugde, van pijn en verdriet.

Toen Gijs in mei 2019 overleed werd het echt stil in mijn leven.

Als kind voelde ik soms een vaag, onbestemd gevoel van treurigheid als ik oude mensen zag. Kwam het door de stilte die ik om hen heen zag en voelde? Hoe lang hadden ze nog te leven?

Na het heengaan van Gijs lag een gapend gat van eenzaamheid voor mij. Hoe moest ik verder met mijn leven? Gelukkig bleef ik niet helemaal alleen achter, de kinderen en kleinkinderen waren er nog.
Ze komen heel regelmatig langs, en de kleine Kilian doet al even lief en dapper mee.
Het leven van nu is voor onze kinderen vaak ingewikkeld en druk. Hun eigen gezin wordt drukker en vaak slokt het hen zo op dat zij het soms amper bijbenen. Hoe lief dat zij dan toch langskomen.

En dan is er ook nog het contact met familieleden die langskomen, of bellen en appen.
Met mijn vriendinnen kan ik kletsen, koffieleuten, wandelen, scrabbelen en nog zoveel meer.
We mopperen over het digitale tijdperk, waaraan we wel moeten deelnemen om bij te blijven.
We mopperen over hoeveel inspanning dit van ons vergt. We vinden onszelf geweldig en een hele Piet als we plaats nemen achter de computer.


Maar we hebben het als “lotgenoten” ook over onze frustraties van het oud zijn. En leggen onze kwalen en kwaaltjes uitgebreid onder de loep, tot we er genoeg van hebben en iets anders ondernemen. Al zijn de mogelijkheden nu wat beperkter, we maken er iets van.
Zoals veel anderen weten ook wij, vanuit onze gemakkelijke stoel, hoe Nederland geregeerd moet worden. We zouden het veel beter doen!
We vertellen over vroeger toen we nog kinderen waren. Over mensen die wij hebben gekend en verloren, hoe dierbaar ze ons waren. We kijken naar de wereld en delen onze grote zorgen over de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen. In wat voor wereld laten we ze straks achter?
Soms hoor ik dan mijn moeder weer die vol zorg was over de donkere toekomst van haar gezin. Mijn moeder, die zelf twee wereldoorlogen meemaakte. Die in haar jeugd vreselijk ziek is geweest van de Spaanse griep die toen door de wereld raasde, en vele, vele miljoenen levens opeiste.
Is deze wereld ooit anders of beter geweest, vraag ik mij af. Kijk naar de donkere Middeleeuwen of naar de wereldgeschiedenis, dan weet je het.

Hoe voelt het voor mij om oud te zijn, want het voelt voor iedereen anders. Niet iedereen heeft kinderen en soms wonen ze ver weg. Niet iedereen is gezond en het leven kan zorgelijk zijn.
We leven in het coronatijdperk, veel mensen voelen zich eenzaam.
Het zijn niet alleen oude mensen die het nu moeilijk hebben, vooral veel jongeren hebben het moeilijk en worden op zichzelf teruggeworpen. Als oud en jong elkaar zouden vinden, begrijpen en opzoeken, hoe mooi zou dat zijn!

Ik ben oud, het is waar. Maar er is veel, ik voel mij jong genoeg om te genieten van de “kleine” dingen die er zijn, van alles wat ik heb. Er is veel om dankbaar voor te zijn.
Ik hoef niet meer te werken om aan de kost te komen, desondanks komt mijn inkomen iedere maand weer, als vanzelfsprekend, binnenrollen. Als mijn kinderen opstaan voor de werkdag, droom en soes ik nog even over de vrije dag die voor mij ligt, over wat ik allemaal kan gaan doen met deze dag,

Na het heengaan van Gijs lag een gapend gat van eenzaamheid voor mij. Na een lang leven samen, alleen verder zonder hem?
Ondanks genoeg contacten ben ik veel uren en dagen alleen, waarin het stil is.
Echter, die stilte voelt niet eenzaam meer, maar is een vriend geworden.





Geplaatst in nu | Getagged , , , , , | 20 reacties

Dit is eens maar nooit weer

Lieve lezers, na lange tijd weer een berichtje van mij.
Heb even een rustpauze ingelast maar vanaf vandaag hoop ik van tijd tot tijd weer iets op mijn blog te plaatsen.
Dat iets kan over van alles en nog wat gaan. Vandaag, op oudejaarsdag, gaat het over oliebollen bakken.
Ik schreef het eerste gedeelte van dit blogje vorig jaar, op 21 november 2021. Vandaag volgt de rest en ook de publicatie.

In dit tijdsbestek verval ik gewoonlijk, en zeker in coronatijd, in mijmeren en terugkijken naar vroeger.
Nu de jaarwisseling nadert herinner ik mij weer dat mijn moeder op oudejaarsdag altijd oliebollen bakte.

Oudejaarsdag

Het voelt vandaag net zoals het vorige jaar, het is weer even druk als toen. Er moet nog van alles gedaan worden eer we, na de kerkdienst, in een grote kring bij elkaar zullen zitten. Alles spitst zich toe op vanavond.
Vroeg in de middag zet moeder alle ingrediënten voor het bakken van de oliebollen op de keukentafel. Straks gaat ze aan de slag.
Ik wacht, zittend op een keukenstoel, het oliebollenbakkengebeuren af. Leuk dat er weer oliebollen worden gebakken en dat het vanavond weer oudejaarsavond is. Maar oliebollen bakken gaat niet vanzelf – dat weet ik ook nog van vorig jaar.
Opeens zet moeder een volle bak met appels op tafel, vlak voor mijn neus.
“Hier” zegt ze,” nu je hier zit kun je mooi helpen met appels schillen voor de oliebollen, daar ben je nu groot genoeg voor”. De appels, groot en een beetje rood, kijken mij aan.
“Ik schil wel even mee want het zijn er wel wat veel” zegt moeder.
Ik kijk hoe snel de appels door moeders handen rollen, en hoe lang de schil wel wordt. Als ik het ook probeer lukt het mij niet, de appel is veel te groot voor mijn kleine handen.
“Wacht, ik snijd de appel wel even door midden dan kun je hem beter vasthouden. Goudrenetten zijn groot, maar het lekkerst voor oliebollen,” zegt moeder.
Nu  gaat het schillen veel beter, maar zo snel als moeder? Nee dat moet ik nog leren, en mijn schil breekt ook iedere keer nog af, maar soms lukt het een klein beetje.

De appels worden in kleine stukjes gesneden. Er blijven ook appels heel, met een boor wordt er een rondje in de appels gemaakt .
Ik vind appelflappen lekkerder dan oliebollen. Maar er worden veel minder appelflappen gebakken dan oliebollen, dat is echt wel jammer want ze zijn in een mum van tijd allemaal op.

In een grote emmer, die eerst nog een keer extra geboend is, maakt moeder het beslag aan. Ze doet er naast de stukjes appel ook nog stukjes sukade en krenten door.
Als het helemaal klaar is legt moeder een schone grote doek over de emmer.
“Ziezo, en nu hopen dat het beslag goed gaat rijzen. En je weet het hé, niet stiekem onder de theedoek kijken.” Moeder kijkt mij aan.
Ja, ik weet het nog van vorig jaar. Ik was zo nieuwsgierig wat er in de emmer gebeurde dat ik het niet kon laten stiekem even onder de doek te gluren. En precies toen kwam moeder de keuken binnenlopen.
“Wat doe je nu,” riep ze.  “Niet doen, niet doen, leg snel de doek er over.” Gelukkig gebeurde het zo snel dat er niets met het beslag aan de hand was. Maar vandaag blijf ik weg bij de emmer.

Als het meel gerezen is slaat moeder aan het bakken. Ze giet olie in een grote pan en zet hem op het gas.
Ik kijk verwonderd toe hoe het beslag van de lepel in de pen rolt, een aantal wentelingen maakt en tenslotte de vorm van een oliebol aanneemt. Hoe meer beslag van de lepel rolt hoe groter de oliebol wordt.
Het wordt warm in de keuken, moeders gezicht ziet er rood van. Ze let goed op wat er in de pan gebeurt. Af en toe strijkt zij met een zakdoek het zweet van haar voorhoofd.

Op de schaal wordt de voorraad steeds groter en hoger. Op de andere schaal komen de appelflappen te liggen. Ik kijk naar de appelflappen. Ze zijn warm het lekkerst maar ik moet wachten tot vanavond. En dat is het gelukkig al gauw.

Jaren later.

We zijn nog maar kort getrouwd en wonen aan de Gebroken Meeldijk.
Half december zegt Gijs: “Ik ga van het jaar oliebollen bakken.”
Wat krijgen we nu?  Gaat hij echt oliebollen bakken? Het moet gezegd, koffie zetten en een eitje koken gaat hem handig af, en als kookhulp is hij ook geslaagd, maar daarmee houdt het toch echt op. Nee een keukenprinses is hij bepaalt niet.
Maar veel mannen blijken oliebollen te bakken, dus waarom mijn Gijs niet?
“Mijn moeder kon heerlijke oliebollen bakken,” zegt hij, “en dit jaar ga ik het ook doen.”

Op 30 december stapt Gijs ’s middags op zijn fiets om inkopen te doen voor de oliebollen.
Maar eerst heeft hij zijn moeder gebeld om te vragen wat hij in huis moet halen. Alles staat zwart op wit, de notities heeft hij in zijn zak. Het gaat helemaal voor elkaar komen.
Als hij terug is zet hij de papieren zak met goudrenetten op tafel en zegt: “Dat was kantje boord zeg, het waren de laatsten, maar gelukkig precies genoeg”.
Het karwei wordt aangevangen, geheel en al naar de richtlijnen en adviezen van schoonmama. Ik heb er geen omkijken naar, ben slechts benieuwd naar de afloop. Bovendien ben ik een leek in oliebollen bakken.
Leuk dat Gijs het oppakt!

En jawel – het vertrouwde, bekende proces uit mijn kinderjaren herhaalt zich.
Als Gijs zover is dat hij alle ingrediënten door het meel heeft gemengd, haal ik een theedoek uit de kast.  Vakkundig en trots drapeert Gijs de theedoek over de emmer. Een poosje geduld nog, dat is alles.
Als ook de pan met olie op het gasstel klaarstaat zou Gijs het liefst van start gaan, maar hij kent de instructies.

Als het grote moment gekomen is knoopt Gijs mijn schort voor en neemt het bakken een aanvang.
Als een volleerde oliebollenbakker laat hij het beslag van zijn lepel in de pan rollen. Hoopvol staren we samen in de pan wat er gebeurt. Het beslag rolt van de lepel in de hete olie zoals het hoort, maar het beslag spat als een zeepbel uit elkaar in dunne sliertjes en minuscule balletjes.  Verbouwereerd zien we het aan. De sliertjes rollen en tollen vrolijk en onbekommerd door de hete olie, onwetend van onze teleurstelling. Gijs probeert nog een lepel beslag, kijkt weer vol hoop in de pan, maar helaas.
Als na verloop van tijd de sliertjes gaar en bruinig zijn vist Gijs ze gedesillusioneerd met een schuimspaan uit de olie. De mooi porseleinen schaal die klaar staat voor de oliebollen blijft leeg. De schuimspaan wordt geleegd op een bord.

Gijs kennend laat hij het er niet bij zitten, weet ik. Hij belt wederom zijn moeder, het wordt een lang gesprek, want ook schoonmoeder is zeer teleurgesteld. Ze had het zo goed en omstandig uitgelegd, wat jammer nou.
Monter komt Gijs van de telefoon, wacht maar even het komt helemaal goed. Hij weet nu precies waar het aan ligt.
Het beslag is te dun, volgens zijn moeder is dit de oorzaak, er moet wat meel bij. Er is meel genoeg voorhanden, en een koud kunstje dus om het beslag wat dikker te maken.

En nu maar wachten op de goede afloop. Helaas, het wordt er niet beter op. Wat Gijs ook uit de pan vist, het zijn geen oliebollen.
Van de zo gewenste appelflappen komt op deze manier ook niets terecht, denk ik. De mooie schalen blijven leeg.

Maar dit is nog niet het einde van het verhaal. Hoe het gebeurde blijft onbekend, maar ineens valt de emmer met beslag op de vloer. 
Ik kijk met afgrijzen hoe het logge beslag zich een weg baant over mijn Heugaveld tegels.
Ik weet even niet wat ik moet doen. Dan zet  ik de emmer, waar niet veel meer inzit, rechtop. Ik pak een lepel uit de lade, schuif het beslag op de lepel en deponeer het in de emmer. 
Arme Gijs, hij kijkt stilzwijgend, ontgoocheld, naar de ontstane chaos.
In de deuropening van de keuken kijkt Laura met grote schrikogen naar wat er gebeurt.  Ze snapt dat ze het beste maar niets kan zeggen.

Resoluut peuter ik een Heugaveld tegel van de vloer, want opeens weet ik de oplossing, Heugaveld tegels kunnen prima tegen water. Ik houd de tegel onder de kraan en laat het water er in een straaltje over heen lopen. Het beslag sijpelt met het kraanwater mee van de mat.  De tegel ziet er weer uit zoals voorheen, niets meer aan de hand! De andere tegels volgen.

En zo stort het hele oliebollenbakgebeuren als een kaartenhuis inéén.

Maar niet getreurd, want 31 december zitten we met ons vieren heerlijk aan de oliebollen. Gijs is diezelfde middag nog op de fiets gestapt om oliebollen te kopen.

Het is nooit meer iets geworden met de oliebollenbakkerij van Gijs. Hij gaf er na deze ene keer de brui aan, het was welletjes zo, vond hij.

En verder wens ik iedereen een goed en vredig, gezond Nieuw Jaar.

Geplaatst in nu, vroeger | 17 reacties

Wel eens in een Juttersmuseum geweest?




Vandaag weer eens een berichtje. Ik weet het, de blogs verschijnen mondjesmaat maar niettemin jullie blijven toch op de hoogte van hoe het hier reilt en zeilt.

Mijn balkon met de prachtige bloeiende planten ziet er na al de regen enigszins verpieterd uit, het beloofde kiekje blijft daarom achterwege.

Een paar weken geleden heb ik een weekje op het prachtige Texel doorgebracht. Mijn dochter en schoonzoon hebben een chalet op het eiland staan en waren zo lief mij uit te nodigen voor een weekje Texel. Nu hoef ik nooit lang na te denken over zo’n uitnodiging, want Texel is het einde voor mij. Ik ben er al vaak geweest en als we de boot afrijden, voelt het zo vertrouwd alsof ik er iedere week kom. Ik hoef maar om mij heen te kijken en de bekende beelden verschijnen weer: grazende schapen, een oude boerenschuur, uitgestrekte weilanden.

Het was voor het eerst dat ik het nieuwe tweedehandse chalet zag. Voorheen hadden ze een krakkemikkige caravan, en zie nu geheel anders: een chalet met alles erop en eraan, zelfs een slaapkamer voor mij. Te gek, met een douche en een heerlijke leefhoek, ik stond echt perplex hoe luxe zo’n gebeuren is. Hier hield ik het wel een weekje uit.
Het weer was prachtig, bijna de hele week liet de zon zich op gezette tijden zien. Hoewel er ook een regendag om de hoek kwam kijken; dat, opdat wij niet zouden vergeten dat we in ons eigen landje vakantie vierden.
We haalden de tuinstoelen uit het schuurtje en alles werd aangesleept om het gezellig te maken. Er werd koffie gezet en even later zaten we prinsheerlijk te genieten met het riante gevoel dat de hele week nog voor ons lag.
Pippa de hond is altijd uitzinnig blij als ze op Texel is. Ze ging innig tevreden bij ons in het gras liggen, dromend van lange wandelingen zonder halsband en rennen door het bos.

Aan de lange wandelingen heb ik mij niet gewaagd, die heb ik overgelaten aan de jeugd. Er waren genoeg andere dingen te doen. En lezen kun je altijd en overal, zeker tegenwoordig met een smartphone op zak.

Op de voorlaatste dag, het was een miezerige weertje, gingen we naar het Juttersmuseum.
Als ik over jutten hoor, gaat er iets in mij borrelen van vroeger. Wie kent niet het bekende boek: Sil de strandjutter?

Als kind hoorde je verhalen van flessen die aanspoelden op het strand met een geschreven boodschap van een schipbreukeling. Van mensen die dagen ronddobberden op stukken scheepshout en nog net op tijd werden gered. Ik fantaseerde erover, ik zag het als kind allemaal voor mij. Ja dus, het Juttersmuseum wilde ik wel bezoeken.

VVV Texel Strandjutten: een eeuwenoude traditie.
Jutten is op het strand zoeken naar aangespoelde spullen.
Vroeger waren de scheepsladingen niet stevig verankerd en schepen verloren in een storm de macht over de zee. Er spoelden soms waardevolle spullen aan.
Tegenwoordig zijn de scheepsladingen stevig verankerd en spoelt er nog maar zelden iets moois aan.

Door de coronamaatregelen ging het er allemaal wat ingewikkeld aan toe in het museum. Er mocht maar een beperkt aantal mensen tegelijk binnen, maar daar kijkt  inmiddels  niemand meer van op. We waren vroeg en konden meteen doorlopen.
De route begon buiten. En dat was genoeg om meteen in de sfeer te komen. Er lagen grote  scheepswrakken, schepen die de storm niet hadden doorstaan.

Hoe zou het met de bemanning zijn afgelopen? Kon er hulp worden geboden vanaf de kust?

Als ik door een museum loop, wat voor museum ook, rijzen er vragen in mij omhoog waarop ik geen antwoord krijg omdat veel verborgen blijft in de tijd. Ik word daar altijd heel nieuwsgierig van.
Binnen lagen flessen, de flessen waar ik als kind zo over fantaseerde, hier lagen ze in levende lijve. We  kwamen ook schoenen tegen, in allerlei maten. Schoenen van schipbreukelingen, aangespoeld op het strand en door een jutter gevonden.

Ook een gebreide pop als stille getuige, wat is het verhaal erachter?

Ze vertoonden een film waarin een oude strandjutter zijn verhaal vertelde.
Jutten was eigenlijk stropen, het moest wel stiekem gebeuren.
Als het weerbericht storm voorspelde,  werd bij een jutter de juttersgeest vaardig en wakker.
Zodra de storm was gaan liggen, stapte de jutter op zijn fiets om het strand te verkennen.  Wat lag er op het strand? Hoe sneller en hoe eerder je op het strand was hoe groter de buit. Een echter jutter ging daarom  zo snel mogelijk na de storm naar het strand, vol verwachting wat hij tegen zou komen.
Het strandjutten was, juist omdat het niet mocht, een spannende sensatie. Het was een spel dat handig moest worden gespeeld, want het was echt verboden.

De verteller zag het allemaal weer  gebeuren en zat helemaal in zijn verhaal. Hij genoot zichtbaar weer van de spanning van toen, en hoe hij de politie te slim af was geweest.

Helaas heeft de nieuwe tijd ook voor strandjutters veel veranderd. De lading van schepen wordt nu veel beter en sterker verankerd zodat bij een zware storm de lading niet overboord gaat. Alles zit in containers. Het strandjutten is praktisch verdwenen. Het is meer geschiedenis geworden.
Maar zolang de jutters hun verhalen blijven vertellen met inleving en passie blijft ook dit stukje folklore wel in leven, want op folklore moeten we zuinig zijn. Onze geschiedenis blijft erdoor bewaard.

Toen we naar huis reden kletterde de regen tegen nog steeds tegen de voorruit.
Het was een welbestede ochtend en ik had genoeg stof verzameld om dit blogje te schrijven.

Terwijl ik het schrijf, geniet ik nog na van het heerlijke weekje Texel.

Laten we in deze tijd, die door de coronamaatregelen en alles wat het teweeg brengt een triest gevoel in ons kan oproepen, daarom vullen met onze verhalen.
Laten we elkaar vooral niet vergeten, ondersteunen en aandacht geven waar het nodig is.

 

 

 

 


Geplaatst in nu | 4 reacties

Al doende leert men!




Lieve bloglezers,

Het is wel erg lang geleden dat ik een blogje schreef, maar vandaag waag ik een nieuwe poging.
Mijn hoofd had rust nodig, en ook de lust om te schrijven was er niet. Het was voor mij een duidelijk signaal dat ik even stoppen moest.
In deze tijd dat het Coronavirus rondwaart had ik dit achteraf gezien voor de duidelijkheid beter met jullie kunnen delen. Er waren mensen die zich zorgen om mij maakten. Gelukkig gaat het goed met mij, ik hoop het de volgende keer wel anders te doen.  Maar al doende leert men.

Jullie betreuren het natuurlijk ook dat het virus de kop weer op steekt. Er werd al wel steeds over gesproken dat het vermoedelijk zou oplaaien, maar in mijn optimisme hoopte ik dat het virus niet meer zo ernstig zou terug komen. Helaas, het virus is weer volop aan een nieuwe opmars begonnen en dat stemt tot grote zorgen.

Met het uitzonderlijk warme weer dat we hebben, en het nog steeds betrekkelijk rustige vliegverkeer, waan ik mij soms in vroeger jaren. In mijn kinderjaren waren er ook enkele  snikhete zomers, ik herinner ze mij nog al te goed. De lange afstand naar huis lopen na een snikhete schooldag, ik vergeet het nooit. Maar die zomers halen het echter niet bij nu.

Ik weet dat ik in herhaling verval, maar mijn verlangen naar stilte wordt steeds groter.
Bij het ouder worden dringen jeugdherinneringen zich steeds meer op. Ik heb, zoals bekend, in mijn kinderjaren op het platteland gewoond en daar ervaren wat stilte met je doet en wat het je geeft.

Op mijn leeftijd kan ik voor een groot gedeelte mijn tijd zelf invullen en dat is een verworvenheid van het ouder worden waar ik gretig gebruik van maak.
Zo ben ik een paar weken geleden weer naar een meditatiegroep gegaan. In ons kerkkrantje las ik dat een groepje mensen iedere woensdagochtend bijeen komt om te mediteren. Ik zocht al een poosje naar een plek waar werd gemediteerd, en zie: het lag binnen handbereik. Ik kan vlak bij de deur blijven en dat is het gemakkelijkst als je lid ergens van wordt.
Tegenwoordig wordt er ook in protestantse kringen veel gemediteerd.

Ik ben jaren geleden begonnen met Zenmeditatie. In die vorm gaat het vooral om door middel van het tellen van je adem, van één tot tien, tot rust en verstilling te komen.
In de meditatievorm van nu gaat het om het herhalen van een woord, een Mantra genoemd.

We beginnen met een tekst die wordt voorgelezen en die dient als inleiding op de meditatie.
Daarna zoeken we naar een houding die goed voelt om lang stil te kunnen zitten. We zitten met rechte rug op een stoel, onze voeten raken de grond.
Het woord dat we tijdens de meditatie herhalen is: Maranatha, Jezus komt! Het woord komt uit het Nieuwe Testament. Ik vind het een prachtig woord om op te mediteren.
Als beginneling kan het tijd kosten eer het wat rustiger in je wordt. Alle begin is moeilijk. Maar vroeg of laat ga je de stilte “ervaren.”  Ik mediteer al vele jaren en dat is een steun om tot rust te komen hoewel het desondanks ook mij soms toch niet lukt. Het blijft een geschenk als je deze stilte mag ervaren.
Door met aandacht het woord Maranatha te herhalen, treden je gedachten min of meer op de achtergrond, zodat het stiller in je wordt. Tot je soms na verloop van tijd het woord niet meer hoeft te herhalen of uit te spreken, maar het woord zelf in je gaat klinken.
Of er daalt een diepe stilte in je waarin niets meer gezegd hoeft te worden, omdat in die stilte alles aanwezig is en alles besloten ligt. Het halve uur in diepe stilte zitten is voorbij eer je er erg in hebt

Het is steeds opnieuw een bijzondere ervaring dat vijftien tot twintig mensen in aandachtige, diepe stilte bijeen zitten. Er zijn momenten waarin de stilte bijna hoorbaar zindert in de ruimte.
Iedere keer is nieuw en iedereen ervaart het op zijn/haar eigen manier. Soms wordt dat uitgesproken, maar het hoeft niet. Doordat je met hetzelfde bezig bent, naar hetzelfde verlangt, ontstaat er een sterke verbinding.

Nu we het over stilte hebben. Ik verbaas mij erover dat we altijd lawaai om ons heen willen hebben. Als we onze hond uitlaten, als we achter de kinderwagen lopen, op de fiets zitten, met elkaar wandelen, we moeten contact met iemand hebben.
Als mensen bij elkaar zijn, lijkt de smartphone vaak belangrijker dan het gesprek dat met elkaar wordt gevoerd.
Dit is geen originele gedachte van mij, want er zijn veel meer mensen die zich erover verwonderen.
Het voortdurend met iets of iemand bezig zijn heeft bezit van onze samenleving genomen. Mijn pleidooi tot bewustwording hierover zal geen zoden aan de dijk zetten, en iets veranderen zal het ook niet, maar ik wil het gewoon kwijt.

De eerlijkheid gebiedt mij erbij te vertellen dat ik ook mijn eigen gedrag hierover eens onder de loep heb gelegd. En het resultaat was niet om over naar huis te schrijven. Ook ik pakte op de meest onmogelijke momenten mijn smartphone om te gluren of er nieuws op was.
Waarmee dus weer overduidelijk bewezen wordt dat niets menselijks mij vreemd is.
Het spreekwoord: Verbeter de wereld begin bij jezelf  staat daarom hier op de juiste plaats!

Tja, en wat heb ik verder nog te melden? Dat mijn balkon er prachtig uitziet. Voor Moederdag verraste mijn dochter mij met de toezegging dat ze mee wilde helpen mijn balkon op te vrolijken.
Samen togen we naar een groot tuincentrum en kochten daar hangpotten. De kar was groot genoeg om hem met een bonte kleurmengeling van geraniums te vullen. Voor de variatie ook nog wat andere planten ernaast. Thuis zetten we alles in de hangpotten. Het resultaat is een lust voor het oog.

Helaas kan ik geen foto’s plaatsen omdat ik het nog niet goed onder de knie heb. De kinderen of kleinkinderen helpen altijd met de foto’s en dan staan ze er in een zucht op.
De bedoeling is dat ik het ga leren, zodat ik het zelf kan doen. Maar soms vind ik het welletjes met al dat nieuwe en geef ik de brui aan het nog meer leren.

Op dit moment zijn de kinderen en kleinkinderen elders met een project bezig. Of op vakantie, of aan het verhuizen.
En nu komt de smartphone dus toch weer om het hoekje kijken en blijkt het een prachtig medium.
Zo kan ik ’s ochtends even appen dat ik weer wakker werd en kunnen we elkaar een goede dag wensen. Even vragen hoe het met de verhuizing gaat. Of skypen met de kleinkinderen. Een bedankje op de app dat de gekookte maaltijd, die diepgevroren werd aangeleverd, weer heerlijk smaakte.
Eventjes bijkletsen, het kan allemaal. En natuurlijk uitwisselen hoe lang het allemaal duurt eer het leven weer zijn gewone gang zal gaan.

Die foto van mijn balkon hoop ik de volgende keer alsnog te plaatsen!

Dit blogje schreef ik weer met veel plezier. Het voelt goed en gezellig om weer wat uit te wisselen net elkaar. Maar de blogjes zullen in de toekomst wat spaarzamer verschijnen, vrees ik.
Ik word een dagje ouder en ook het warme weer speelt mij soms parten. In ieder geval staat dit blogje weer op papier.

Lieve groet van deze blogster!


Geplaatst in nu | Getagged , , , , , , , , , , , , , | 7 reacties

” Buurvrouw, ze hebben je varkentje gestolen! “




Een volk dat voor tirannen zwicht,
zal meer dan lijf en goed verliezen,
dan dooft het licht.

Hendrik, Mattheus van Randwijk 1909 – 1966
Verzetsman

 

Wat later dan de planning was, maar het verhaal stond klaar en post het daarom gewoon nog.

In de maand maart van 1945 werd ik 6 jaar

Een paar maanden later vierden we de bevrijding maar daar heb ik geen herinneringen aan. Van de oorlog zelf kan ik mij nog wel aardig veel herinneren

Volgens overlevering liep mijn oudste zus, die ik mij herinner als immer breiend, op die vijfde mei 1945 ’s morgens vroeg, breiend op de dijk. Daar hoorde zij het geweldige nieuws dat Nederland weer vrij was.
Ze kwam opgewonden naar huis gerend en riep : “We zijn bevrijd!  De oorlog is voorbij! We zijn vrij!”

Toen ik kind was werd de tijd nog ingedeeld in vóór en ná de oorlog.
Maar dat is al lang niet meer zo. De ouderen zijn weggevallen en onze kinderen hebben de oorlog niet meegemaakt.

Toch leeft de oorlog nog altijd in ons voort, ook zonder dat wij hem benoemen.
Dat zei de koning nog in zijn laatste toespraak op De Dam bij de dodenherdenking: “De oorlog zit nog in ons.”
Zolang er mensen zijn die hem meemaakten, zolang er verhalen worden verteld, leeft de oorlog in ons voort. Het maakt voor altijd deel uit van onze geschiedenis.

Er is in deze tijd weer een honger naar de verhalen. Er zijn nu nog ooggetuigen:

“Buurvrouw, ze hebben je varkentje gestolen.”

Het is vijf uur in de ochtend
In ons huis is alles nog in diepe rust, alleen moeder is zoals gewoonlijk al even uit uit de veren en aan het redderen.
Het is laat in de herfst, maar het belooft een prachtige dag te worden.
In de huiskamer heeft moeder het hoge schuifraam naar boven geschoven om de eerste zonnestralen op te vangen. En de keukendeur, waardoor iedereen naar binnen loopt, staat wagenwijd open.

Het is nu nog stil, maar straks als iedereen uit bed is, barst de drukte hier los.
Het is een hele heisa eer iedereen gegeten en gedronken heeft en klaar is om naar school of het werk te gaan.
Voor de oudere kinderen geldt dat zij niet zomaar naar school kunnen. Vóór ze vertrekken moet de veestapel worden verzorgd en iedereen heeft daar een eigen taak in.
In deze barre oorlogstijd valt het niet mee om 11 kindermonden te voeden.
Onze vader stierf vlak voor de oorlog, in 1939, en sinds die tijd staat moeder er alleen voor.
En nu wordt, na vier moeilijke oorlogsjaren, de toestand steeds nijpender.
In de grote steden slaat de honger steeds harder toe. Terwijl de winter nog moet komen.

Er is om ons vrijstaande huis veel ruimte om dieren te houden.
We hebben van alles: een koe, geiten, kippen, konijnen. En ook nog een varken.
Vroeg of laat komen ze allemaal in de braadpan terecht.

Ik vind het leuk als de kippen, genoeglijk tokkend, over het erf lopen en de geitjes in de voortuin grazen aan een lang touw. Dan vergeet  ik soms even dat het oorlog is en dat ze worden opgegeten.
Soms vraagt moeder : “Mieke, wil jij even de eieren gaan rapen?”
Ik ren dan, omdat ik het zo leuk vind, met een leeg mandje naar het kippenhok.
Maar het is ook moeilijk, ik moet heel voorzichtig zijn want er mag geen barst in het ei komen.

Moeder kijkt op de klok.
“Het is zeven uur”, mompelt ze, “ik ga ze maar eens uit bed trommelen.”
Ze roept onderaan de trap: “Jongens komen jullie eruit ? Het is zeven uur.”

Ik schud mijn zus wakker: we moeten eruit, moeder heeft al geroepen.
“Waarom laat je mij nou niet”, zegt ze slaperig, “ik lig juist zo lekker.”

Als ik even later in de huiskamer kom, is het er al een drukte van belang.
Moeder is in de keuken met broer Leo bezig aan het voer voor het varken.
Ze roert in een grote emmer tot het voer een klein beetje vloeibaar wordt. Dan kan het varken het opslurpen.
Het varkenshok staat niet op het erf bij ons huis maar in een stil, verborgen hoekje op onze tuinderij want de Duitsers mogen het beslist niet weten. Dan weet je zeker dat je varken door hen wordt meegenomen en opgegeten. Het hok staat tegen de houtzagerij van de buurman aan.

Soms loop ik met Leo mee als hij met de emmer voer naar het varken loopt.
Ik vind het leuk om het varken te horen knorren en te zien hoe blij hij met zijn eten is.
Het voer is nu bijna klaar.

Feeding pigs in extensive production: Part 1 - Pork

Opeens staat de man van de houtzagerij in de deuropening en zegt: “Buurvrouw, ze hebben je varkentje gestolen.”
“Wat? Dat kan niet. Gisteravond stond hij nog zijn hok”, roept moeder.
“Ik liep vanochtend even naar het hok om naar het varken te kijken en het stond er niet, het was weg”, zegt de buurman.
Moeder gaat zitten. Ze is verdrietig, gaat bijna huilen en roept: “Waarom hebben ze ons varken gestolen?
Hoe kom ik aan een nieuw varken, en hoe lang duurt het wel niet eer het weer groot genoeg is voor de slacht? De winter komt eraan, we hebben eten nodig.”
Ze g
De buurman luistert stil naar moeder, hij vindt het ook heel erg wat er is gebeurd.

Moeder staat op en zegt tegen de buurman: “Ga even zitten, dan zet ik een kopje koffie, dat heb ik even nodig, en jij ook.”
Zo breken ze samen het hoofd erover. Hoe konden de Duitsers het weten dat daar, in zo’n stil hoekje op het land, een varken stond? Iemand moet het hebben doorgegeven. Zou iemand uit de buurt het hebben verraden? Iemand die met de Duitsers heult?
Maar wie dan?

Als de buurman weer naar zijn werk is, blijft moeder piekeren: Hoe wisten de Duitsers het varken te vinden? Wie heeft hen verraden om een goede beurt bij de Duitsers te maken en er zelf beter van te worden?

Het wordt winter en het is ontzettend koud. Het vriest dat het kraakt.
Er is bijna geen brandstof meer te vinden. Overal zijn mensen op zoek naar hout.
’s Nachts als niemand het ziet worden stiekem bomen afgezaagd.
En het eten is zo schaars geworden dat er, vooral in de grote steden, vreselijk honger wordt geleden.

Moeder heeft in de zomer aan de winter gedacht en van alles ingemaakt.
Er staat een grote voorraad aardappelen klaar om de winter door te komen.
En de weckpotten met allerlei etenswaren staan in de kelder te wachten om te worden opgegeten.
Gelukkig komen we zo in die laatste vreselijke hongerwinter van 1945 niets tekort.
We hebben genoeg eten, zoveel dat anderen ook nog mee kunnen eten.
Zie ook: /hongerig-en-koud/

 

In deze lastige coronatijd hoor je wel eens zeggen: “Het lijkt wel oorlog.”
En al is het voor veel mensen een zorgelijke, angstige tijd, de oorlogstijd was toch iets heel anders.
Als het donker werd, moesten de ramen worden verduisterd. Er mochten zo weinig mogelijk lichten aan. Als er vliegtuigen overvlogen, konden ze gaan bombarderen.
Je buren konden je vijanden zijn en je nauwlettend in de gaten houden om je aan te geven.

Ook al heb ik in de oorlog, ogenschijnlijk, niet zoveel schokkends meegemaakt, de oorlog heeft mij nog jarenlang achtervolgd in vreselijke angstdromen.

In die laatste oorlogswinter is er immens geleden. De beelden van uitgehongerde mensen die eten kwamen vragen, draag ik nog altijd mee. En tot overmaat van ramp was het die winter vreselijk koud.
En tot de dag van vandaag heb ik nooit begrepen hoe wereldleiders een oorlog kunnen ontketenen. Waarom ze oorlog voeren.

Kunnen we ooit dankbaar genoeg zijn dat we al 75 jaar lang in vrijheid mogen leven?
Laten we hopen en bidden dat dit nog lang mag voortduren!
En, laten we vooral hopen en bidden dat er vrede komt in landen waar nu de vreselijkste oorlogen plaats vinden

 

Dank voor jullie reacties. Ik vind het fijn dat jullie nog steeds reageren op de verhalen.
De reacties worden meegelezen en ik weet dat mensen ervan genieten, evenals ik.
Het zijn altijd weer mooie, fijne toevoegingen op mijn verhaal.

 


Geplaatst in nu, vroeger | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , | 7 reacties

Het leven nu!




Als ik nu naar mijn titel “In quarantaine zijn” kijk, vind ik het geen goed woord meer.
Ik kan gewoon naar buiten, als ik de regels maar in acht neem. Nee, echt in quarantaine zijn behelst iets anders.

Hoe gek het ook klinkt, langzaamaan begin ik te wennen aan de situatie. En al blijft de coronacrisis met alles wat het aan leed meebrengt een grote ramp, de natuur om mij heen doet uitbundig zijn best en vertelt mij dat het leven meerdere kanten heeft.

Ik  zag een poosje geleden dat overtreders van de lockdown in India door de politie strafregels kregen opgelegd.

In mijn jeugd deelde de meester op school nog strafregels uit, die je thuis dan moest maken. Wisten je ouders ook meteen dat je ondeugend was geweest.
Die strafregels werden, samen met een zoen van de juffrouw en een griffel, afgeschaft.
Tenminste, onze kinderen hebben ze nooit  gekregen op school.
Hoe zouden de kinderen van nu op strafregels reageren, vraag ik mij af.

Onze kinderen kwamen vroeger in een gezin waar de vader nog wel strafregels uitdeelde.
Ze  vonden het belachelijk, omdat ze verder geen ouder kenden die dit deed.
En nu zag ik dat  volwassen mensen in India, omdat ze zich niet aan de  lockdown hielden, op het strand strafregels zaten te schrijven. Ik keek mijn ogen uit.

Ik maak mijn wandelingetjes soms met de kinderen of een vriendin, met de nodige voorzichtigheid, en op gepaste afstand.
In mijn enthousiasme kan het gebeuren, dat ik het even vergeet en dichterbij wil gaan lopen. Maar mijn mede-wandelaars houden mij bij de les. Waarvoor mijn dank!

Een paar weken geleden maakte ik op zaterdag, vroeg in de ochtend, met een vriendin een wandelingetje door mooi Amstelveen. Het was net geen dauwtrappen meer, maar het kwam er heel dichtbij.
Tot onze verbazing kwamen we veel mensen tegen en dat hadden we helemaal niet verwacht. Zoveel mensen, zo vroeg al op de been?
En weer viel het mij op dat mensen ons vriendelijk toelachten, en vriendelijker dan ooit begroetten. En het bleef niet bij begroeten, we zagen elkaar.  Er was contact.
Niet haastig of vluchtig,  maar echt wezenlijk contact. We hadden tijd voor elkaar!

We zijn nu weer een paar weken verder en de stilte is “helaas” al aan het vervliegen.
Die stilte om mij heen, wat vond ik dat een weldadige bijkomstigheid in het nare coronatijdperk. Ik weet nu pas echt hoe ik daar als kind van genoot.

Mijn lieve schoonzoon brengt nogal eens een op de kop getikte verrassing voor mij mee.
Hij weet dat hij mij blij maakt met oude, vergeelde boeken.
En nu heb ik alle tijd om zo’n boek, waarin oude tijden herleven, weer eens op te pakken en in te zien.
Een poosje geleden bracht hij een boek voor mij mee uit de “Goud Elsje” serie.
In christelijke gezinnen werden ze veel gelezen. De serie omvatte maar liefst vijf boeken.

bol.com | Riet Berkhout, Max de Lange-Praamsma | 9789026639111 ...

Toen ik het boek in mijn handen nam, trad het verleden met rasse schreden binnen.
Terwijl ik het las, zag ik weer hoe de wereld veranderde. En hoe ook de manier van schrijven is veranderd. De zinnen waren vaak heel langdradig.
Heel andere dingen waren toen zeer belangrijk.
Ik las over keurig gedekte tafels met wit damasten kleden met messenleggers en vingerdoekjes en stoffen servetten. Al vind ik het nog altijd feestelijk om aan een mooi gedekte tafel te eten.
Over de toetsen van piano’s en orgels lag een stoffen tegen het stof. Het liefst uitgevoerd in borduurwerk met gouddraad. En misschien is zo’n doek ook wel beter voor het instrument.

Piano runner keyboard key key cover for piano key ceiling 100% | Etsy

Zouden deze boeken zoals de ” Goud Elsje ” serie nog gelezen worden, vraag ik mij af?
Of staan de boeken van Max de Lange -Praamsma, evenals van veel andere schrijvers, op de plank van “vergeten schrijvers”
Ik denk vaak terug aan al die schrijvers, en aan de boeken die ik in mijn kinderjaren las.
Later kwamen daar nog andere schrijvers bij waarvan ik de naam nooit meer hoor noemen.
Ik denk dat iedereen wel schrijvers uit vroeger jaren kent die opgegaan zijn in de tijd.

Het vergaat bijna alle schrijvers, zoals het met alles in het leven gaat: het is opgaan blinken, en verzinken. Slechts een enkeling trotseert de tijd.

Frederik van Eeden: De kleine Johannes

Frederik van Eeden - De kleine Johannes, een boekverslag

Multatuli: Max Havelaar

bol.com | Max Havelaar, Multatuli | 9789046813560 | Boeken

Ik vraag wel eens aan mijn kleinkinderen of ze die en die schrijver hebben gelezen.
Dan kijken ze mij met grote ogen aan : “Nooit van gehoord oma!” is het antwoord.
En zo gaat het niet alleen met schrijvers. Ook zangers en bekende liedjes van toen kennen ze niet. Ze zijn vergeten en stoffig geworden door de tijd.

Welke veelgelezen schrijvers van nu worden straks nog door mijn kindskinderen gelezen?
En dan rolt er vanzelf een psalm uit de “oude berijming” uit mijn pen:

Als een kleed zal ’t al verouden
Niets kan hier zijn stand behouden
Wat uit stof is neemt een end 
Door de tijd die alles schendt
Psalm 102 vers 15

Maar ik leef nu! En ik  heb weer met veel genoegen dit epistel geschreven, voor mensen van nu die het fijn vinden om het te lezen!

 


Geplaatst in nu, vroeger | Getagged , , , , , , , , , , , , , , | 9 reacties

” Waar ben je toch geweest?”




Dit keer een “oud verhaal’ opnieuw bewerkt.

Ik blog nu al weer zeven jaar. In het begin kwamen er nog weinig bezoekers.
Daardoor zijn die eerste verhalen wat onbekend gebleven. Mijn plan is, om na bewerking, af en toe zo’n vroeg verhaal opnieuw te posten.
In deze tijd van recycling niet eens zo gek.

De tijd verandert razendsnel, daarom voeg ik aan het begin of einde van het “vroege verhaal” soms een stukje toe, waardoor het actueler wordt.

Voorwoord

Onze kinderen groeiden op met huisdieren. Gijs en ik wisten niet beter dan dat dieren erbij horen.
Een huisdier hoefde zijn plaatsje niet te veroveren of waar te maken. Of het nu een hamster, een konijn, een hond of een poes was, ieder huisdier werd met warmte begroet en kreeg bij binnenkomst meteen een eigen plaats in het gezin.

Ik vond het heerlijk om te zien hoe onze kinderen van onze huisdieren hielden.
Het was een genot om te zien met hoeveel plezier, enthousiasme en geduld er iets werd aangeleerd.
En natuurlijk werd het nieuwe kunstje getoond en herhaald. Dat de poes en het hondje niets liever wilden dan de kunsten tonen, was de kers op de taart!

Dit verhaal speelt zich af in de lange, snikhete zomer van 1976.
De landerijen lagen er droog en uitgemergeld bij. Het gras was vergeeld, de hele natuur, alles zuchtte en schreeuwde om water!

“Waar ben je toch geweest?”

Poes Mickey is een dame van regelmaat!

Ze staat ’s avonds klokslag 10.00 uur bij de keukendeur te wachten of iemand haar wil uitlaten. Vooraf neemt ze wel even nauwkeurig het weer in ogenschouw of het goed genoeg is voor haar nachtelijke strooptocht.

’s Ochtends vroeg keert zij terug naar huis, met of zonder buit.
Het liefst bewaart zij de buit tot wij ook wakker zijn. Of erger, brengt zij het in haar bek mee naar binnen.

Om niet in alle vroegte uit bed gemiauwd te worden, heb ik bij het huis een kattenbak voor haar ingericht als slaapplaats. En ook water en brokjes staan klaar, zodat ze na de zware nacht kan gaan slapen.  Ze wacht altijd keurig tot ze ons hoort.

Maar op een dag komt Mickey niet blij mauwend aanrennen als we beneden zijn.
Ik kijk rond of ze misschien ergens loopt, maar nee hoor. We vinden het vreemd, de kinderen worden ook ongerust.
“Wacht nog maar even” troost ik, “ze komt straks vast aanlopen.” Maar als het schooltijd is heeft Mickey zich nog steeds niet gemeld. Ongerust stappen de kinderen op hun fiets.

Soms denk ik haar te horen en loop ik naar de deur, maar nee, ze staat er niet.
Ik word er niet blij van. Waar blijft ze?  Straks komen de kinderen uit school en is ze er nog niet!
De kinderen komen uit school snel naar huis. Ze kijken bij hun binnenkomst verwachtingsvol de kamer rond.
“Is ze nog niet thuis?” roepen ze angstig. Ik schud verdrietig mijn hoofd : “Nee, ze is er nog steeds niet.”

Mickey komt niet opdagen. Ook niet als het avond is. Hoe we ook zoeken om het huis, ze is nergens te vinden. We moeten zonder dat ze er is naar bed.

Ik kan niet slapen en denk iedere keer dat ik Mickey hoor. Maar als ik door het raam de tuin inkijk, is ze nergens te bekennen.
Ze staat vast morgenochtend gewoon weer voor de deur,  zeg ik in mezelf.

Helaas ook de volgende ochtend staat ze er niet
Als de kinderen beneden komen kijken ze mij hoopvol aan.
Ik schud mijn hoofd: “Nee, ze is er nog steeds niet, ik hoopte ook dat ze voor de  deur zou staan.”

De  kinderen willen niet naar school, maar ze moeten wel. Tenslotte gaan ze heel verdrietig weg.
“Misschien komt ze vandaag wel terug” zeg ik. Maar ik krijg steeds minder hoop.

De dagen verstrijken. De kinderen blijven hopen dat ze terugkomt.
Ik bel alle mogelijke instanties. Na de beschrijving van Mickey, overal hetzelfde antwoord: “Nee er is niets aangegeven, ze is nergens gezien.”
Ook na meerdere keren bellen, is er geen glimp of levensteken van Mickey.
De kinderen stappen op hun fiets en gaan zoeken. Ze fietsen langs de parallelweg van de Rijksweg om te kijken of ze ergens ligt. Ze zoeken in de bermen van eenzame wegjes, alles, alles zoeken ze af.
Maar Mickey is en blijft weg. Ze blijkt spoorloos.

Tenslotte raken, na weken zoeken, ook de kinderen de moed kwijt dat Mickey nog wordt gevonden. Ze weten niet wat ze verder nog kunnen doen. Ze zijn erg verdrietig.
Nu kunnen ze Mickey nooit meer aaien, op schoot nemen en horen spinnen.

Het eten wat er nog staat van Mickey breng ik maar naar de buren. Hun poes weet er wel raad mee.

Als we nu we aan de keukentafel ontbijten, komt er geen Mickey blij aanrennen omdat we wakker zijn. Helaas, dat is verleden tijd. We moeten er ons mee verzoenen.
Maar het allermoeilijkst is dat we nog steeds niets van Mickey weten. Wat is er met haar gebeurd, dat ze nergens is opgemerkt, gezien of gevonden?

Op een ochtend zitten we weer in de keuken te ontbijten. De kinderen kletsen met elkaar.  Ik luister, hoor ik nou miauwen?
Het is mij al vaak overkomen dat ik iets hoor maar er niets van waar blijkt te zijn.
Ik sta toch even op om buiten te kijken. En daar staat een poesje!
Ik durf nog niets te zeggen. Vol twijfel kijk ik naar het dunne, uitgemergelde, fragiele poesje dat voor onze deur staat. Is ze het wel? Is het onze Mickey? Tot ze mij aankijkt.
Ik roep: “Jongens, jongens kom eens kijken, Mickey staat voor de deur!”
De kinderen gooien hun stoelen omver en komen aanrennen, uitzinnig van vreugde.
Ze gaan op hun knieën zitten om dichter bij haar te zijn en kunnen niet ophouden met aaien.
“ Wat is ze klein geworden! Hoe komt ze zo mager?” blijven ze maar roepen.

Mickey heeft zelf slechts één brandend verlangen: eten en drinken!
We geven haar snel water, ze slokt het op. Daarna gaat ze voor het aanrechtkastje staan waar haar eten altijd stond. Ongeduldig krabt ze aan het deurtje. En dan pas geloof ik het echt dat dit onherkenbare poesje, Mickey is.
Ze krabt harder aan het deurtje. Komt er nog wat van?
Gelukkig, ze is haar felheid nog steeds niet kwijt. Maar het kastje is leeg.
Ik hol naar de buren met het nieuws. Zes buurkinderen kijken mij ongelovig aan en willen het zien. Verwondering en ongeloof alom.
Ik geef Mickey haar brokjes en ze knabbelt er ongelooflijk veel weg.  Ze is uitgehongerd en helemaal op.

Als Mickey verzadigd is wil ze nog slechts één ding :  slapen, slapen, slapen.
Ze is te moe en uitgeput om blij te zijn over haar thuiskomst.
Ze slaapt dagen achter elkaar, doodvermoeid en geradbraakt is ze.
Haar huid is uitgedroogd, de schubben vallen er van af.
Mickey is dagen in shock.

Ze herstelt heel langzaam en raakt stukje bij beetje weer bij alles betrokken.
We koesteren en verzorgen haar om het hardst en zijn zó blij.
We kunnen het bijna niet bevatten dat ze weer bij ons is.

En nog altijd vragen wij ons af : “Mickey, waar ben je toch geweest?  Wat heb je allemaal meegemaakt?

En Mickey? Zij zweeg in alle talen!

 

Mickey was heel nieuwsgierig. Zou haar nieuwsgierigheid haar misschien noodlottig zijn geworden? Heeft ze een kijkje genomen in een geopende kofferbak, die na het inladen werd dichtgegooid? Is ze toen de kofferbak werd geopend eruit gesprongen en op weg gegaan naar huis?

Ze had een feilloos richtingsgevoel. Waar ik ook op bezoek ging, ze kwam mij altijd achterna en sprong dan op het raamkozijn om te laten zien dat ze er was.

Heeft ze misschien in een schuur vastgezeten toen mensen op vakantie gingen? We kunnen alleen maar gissen.

Waar is ze geweest? Hoe ver heeft zij moeten lopen om na 8 weken weer boven water te komen? Helaas, we zullen het nooit weten.

 

 

 


Geplaatst in dieren | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , | 4 reacties

Fladderende nylonkousen




 

Dat het nu stil is op de terrasjes, en in de restaurants geen kip gezien wordt, bracht mij aan het denken. Mijn ouders zouden nu 122 en 128 jaar zijn geweest.
Het kwam in hun hoofd niet op om buiten de deur iets te eten of te drinken.
Dat deed men niet.
Trouwens, restaurants waren heel zeldzaam, zeker op een dorp.
En zij konden hun geld wel beter gebruiken dan verspillen in een etablissement.
Wel was er tegenover het veilingterrein een groot café waar tuinders een biertje dronken. Men kon er zelfs nog iets eten.
Maar luxe overdekte terrasjes, met in de winter een warm straalkacheltje boven je hoofd en een  dekentje op je stoelleuning, hoorden bij een verre ondenkbare toekomst.

De wereld onderging in honderd jaar een ware metamorfose. Ontwikkelingen volgden elkaar razendsnel op.
Zo zullen de oudere dames zich misschien nog herinneren dat er vroeger nylonkousen werden gedragen. Ze kwamen na de tweede wereldoorlog in zwang.
Ze waren een voorloper van de huidige panty’s.

Ik herinner ze mij tenminste nog heel goed. Toen ik ze op mijn veertiende jaar voor het eerst ging dragen, vond ik het een ramp.

Fladderende nylonkousen

Het is Maart 1953. Een week geleden ben ik 14 jaar geworden.

Ik kijk naar mijn witte sokken. Staan eigenlijk wel een beetje kinderachtig nu ik al veertien jaar, en bijna een bakvis ben.
Er zijn maar weinig meisjes van mijn leeftijd die nog sokken dragen. De meesten dragen al nylonkousen, of een lange broek onder hun jurk
Moeder zei gisteren ook al: “Ga morgen maar naar Corstanje voor nylonkousen, je bent er  nu groot genoeg voor.”
Ik vind het leuk, want het betekent dat ik bij de groten ga horen, maar het is ook eng.
Hoe zullen ze mij staan? En wil ik het wel echt?
Ik ga dit weekeind van zaterdag tot maandag bij Netty in Puttershoek logeren.
Netty is mijn vriendinnetje, zij logeert ook vaak bij ons in de weekeinden. Maar het is nu mijn beurt om naar Netty te gaan.
Misschien ga ik ze daar dan maar  voor het eerst aandoen naar de kerk. Daar kom ik geen vriendinnetjes tegen.

Op zaterdagmiddag sta ik bij de halte aan de Voordijk te wachten op de boemeltram naar de Hoekse Waard. Hij is weer eens veel te laat. Hij had er om drie uur moeten zijn en het is nu al tien over drie.
Hè, hè daar komt hij dan toch aan in de verte. Hortend en stotend komt hij tot stilstand.
Met mijn tas in de ene hand, kan ik met mijn andere hand de steunstang vastgrijpen en  mij zo in de tram hijsen.
Mijn tas zet ik naast mij op de houten bank, de nieuwe kousen zitten er ook in.
Ze zitten nog keurig ingepakt in het papieren zakje.
Met een snerpende fluittoon laat de machinist weten dat de tram vertrekt.
Op naar de Hoekse Waard.
Ik ga lekker zitten, want het duurt wel even eer we naar Puttershoek gewaggeld zijn.

 

Vóór we de Barendrechtse brug oprijden, laat de machinist weer met een schelle fluittoon horen dat iedereen uit de weg moet gaan.
Na een lange rit zijn we eindelijk bij het station van Puttershoek. Is het echt waar? Staat Netty me daar nu op te wachten?
Wat aardig dat ze me komt afhalen, hoef ik gelukkig niet dat hele eind naar haar huis alleen  te lopen.


Als we gezellig samen wandelen, vertel ik: “Gisteren heb ik nylonkousen gekocht. Ik trek ze morgen aan naar de kerk.”
“Ik ben benieuwd hoe ze je staan” zegt Netty. “Over 3 maanden maanden word ik veertien en dan trek ik ze ook aan. Dan vind ik sokken dragen ook kinderachtig. Ze liggen al klaar in mijn kast.”

“Wat ruikt het hier lekker” zeg ik tegen Netty als we bij haar huis zijn. Ik snuif de heerlijke geur nog eens extra op.
“Mijn moeder is een cake voor morgen aan het bakken” zegt ze.
Als we naar binnen lopen, komt Netty’s moeder naar ons toe en geeft mij een knuffel.
“Gezellig dat je er weer bent kind” zegt ze en kijkt mij vrolijk aan. “Vanavond krijgen jullie een heerlijke plak cake bij de koffie.”

Het is snel avond en alweer bedtijd. De heerlijke cake zit veilig opgeborgen in mijn maag.
Netty loopt voor mij de trap op naar haar slaapkamer.
Ik zet mijn tas op een stoel naast het tweepersoonsbed.
“Ik hang even mijn kleren voor morgen over een stoel,” zeg ik tegen Netty.
Mijn nieuwe kousen haal ik uit het papieren zakje. “Kijk dit zijn ze!”
Netty inspecteert de kousen en zegt: “Ik heb precies dezelfde in mijn kast liggen”.

’s Ochtends om 8 uur klopt Netty’s moeder op de deur: “Komen jullie eruit? Het is hoog tijd hoor.”
Netty springt meteen uit bed. Ik wil nog wel lekker blijven liggen, maar stap er ook maar uit want eigenlijk ben ik heel benieuwd hoe mijn nylonkousen staan.

Nadat ik mij gewassen heb, ga ik het karwei ondernemen: mijn nieuwe kousen aandoen.
“Je moet ze heel voorzichtig aandoen,” zei mijn zus Greetje gisteren. “Er zit zo een ladder in en dan moet je ze weer wegbrengen om op te laten halen, en dat is heel duur.”

Als ik ze heel voorzichtig, met handschoenen aan, heb aangetrokken, maak ik ze vast aan de jarretels. In de spiegel bekijk ik het resultaat. Hoe staan ze? Ik schrik.
Ik dacht het al toen ik ze aantrok: ze zijn veel te groot! Het is geen gezicht, de naad zit schots en scheef en vliegt alle kanten op.
Netty  ziet het ook: “Ze zijn veel te groot, joh. Waarom heb je geen kleinere gekocht?”
“Dit was de kleinste maat” roep ik wanhopig. ” Ze hebben ze niet kleiner. Moet je zien, als ik loop. Ze fladderen rond mijn benen. Wat een belachelijk gezicht!
Ik durf zo niet over straat. Maar ik heb ook geen andere kousen voor de zondag bij me”.
Moedeloos plof ik op bed. “Hoe moet dat nou? Ik loop voor gek zo.”
“We komen bijna niemand tegen als we naar de kerk lopen, het is dan nog heel vroeg,” troost Netty.

Als we een uurtje later naar de kerk lopen, lijkt het even of Netty gelijk heeft.
Maar dan komen er mensen achter ons lopen die naar dezelfde kerk gaan.
“Laten we wat langzamer lopen, dan gaan ze ons wel voorbij” zeg ik tegen Netty.
Het helpt maar  even.
Want hoe dichter we bij de kerk komen, hoe meer kerkgangers er op de been komen.
En bij de huizen staan mensen met elkaar te praten. Zij zien het vast ook.
Ik voel de kousen rond mijn benen fladderen. Ik wil wegkruipen, maar hoe en waar?
Ik kan wel huilen van ellende en schaamte.

Als we na drie kwartier in een bocht van de weg de kerk zien staan, kan ik wel juichen.
We zijn er!
Als een haas loop ik de kerkzaal binnen. Iedereen heeft zijn vaste plek, ik weet inmiddels wel de bank waar Netty zit.
We zijn heel vroeg, het duurt nog een kwartier eer de dienst begint. Ik vind het allemaal prima. Ik zit en dan is er tenminste niets aan de hand.
Dat de kerkdienst lang gaat duren, bijna twee uur, is juist fijn.
Aan de terugweg ga ik nu nog niet denken. Die is van later zorg.

Die nylonkousen van toen waren lastig om te dragen. Je moest precies de goede maat hebben, anders zaten ze vervelend en zat de naad niet recht.
Er was voor mij, toen ik ze ging dragen, geen goeie maat omdat ik te dunne benen had.
En als onzeker meisje denk je dat iedereen naar je kijkt en op je let.

Het was een ramp als er een ladder in kwam. Weggooien was er natuurlijk niet bij.
Maar er was iets aan te doen.
Er waren speciale punten, zoals een lingeriezaak waar je de ladder op kon laten halen.
Soms was er ook als bijverdienste aan huis een “ladderophaalservice.” waar je je ladders op kon laten halen.
Als ik het mij goed herinner werd er per ladder afgerekend. Het was niet goedkoop, daarom was het zo schrikken als je een ladder had.
Hoeveel het per ladder kostte, is mij ontschoten. Misschien is er iemand die het nog weet?

Begin zestiger jaren kwamen de panty’s in de mode. Die waren meer elastisch en pasten veel beter. Wat een gemak ineens, een verademing na die kousen met jarretels. En zoveel gemakkelijker in het dragen.

Met een hartelijke groet van Maaike, nog steeds vanuit mijn quarantaine.

 


Geplaatst in vroeger | 6 reacties