Waar is die Voorjaarsschoonmaak toch gebleven?

Van de week dacht ik opeens: De Voorjaarsschoonmaak? Daar hoor je niemand meer over.
Of zijn er nog mensen die aan “De schoonmaak” doen?
Als ik om mij heen kijk en luister krijg ik de indruk dat het hele schoonmaakritueel is opgeheven en dat de mattenkloppers aan de wilgen hangen – en kunnen we het schoonmaakgebeuren scharen onder de cultuurveranderingen van de laatste decennia.

Toen ik jong was werd menig meisje geleerd dat “een goede huisvrouw zijn” een vak was, een eerzaam beroep. En dat was in die tijd niet raar gezegd. De gezinnen waren over het algemeen heel groot. De moeder des huizes moest van alle markten thuis zijn, en van wanten weten om  haar grote gezin zo te bestieren dat man en kinderen een veilige thuishaven hadden. Naast liefhebbend echtgenote was ze: econome, zorgzame moeder, opvoedster, vredestichtster en nog veel meer.
Ik kijk dan ook met met bewondering en respect naar mijn eigen moeder en mijn beide oma’s. Die vrouwen verdienen, wat mij betreft, een lauwerkrans met de vele anderen die hetzelfde deden.

Langzaam en sluipend – bijna ongemerkt – ontstonden er  veranderingen. Kennis verwerven werd steeds belangrijker. Het waren eerst alleen jongens die mochten doorleren en studeren, voor meisjes gold dit echter niet.
Maar langzaam keerde het tij en mochten ook meisjes, weliswaar mondjesmaat, gaan doorleren, zoals dat werd genoemd.
En wat bleek? Steeds meer meisjes wilde leren, ze waren leergierig, en pakten hun kansen. Zo stroomden ze door naar het Hoger Onderwijs, tot de Universiteit aan toe.
Over die ontwikkeling, en wat voor voeten het in de aarde had eer dat meisjes werkelijk mochten gaan studeren, is veel meer te vertellen. Wie weet!

Inmiddels werden de gezinnen, over het het algemeen, kleiner.
En de meisjes, nu met diploma’s op zak, combineerden steeds meer het “moeder zijn” met buitenshuis werken. Dat was nieuw en lang niet altijd gemakkelijk.
Het waren vooral de jonge moeders die het in de aanlooptijd zwaar hadden, want er was  nog weinig taakverdeling.
Alle begin is moeilijk. Veel jonge mannen waren niet opgegroeid met een vader die meewerkte in de  huishouding. Maar alles is te leren. En wat een mooie ontwikkeling is het dat nu inmiddels veel meer samen wordt gedaan.

Voorjaarsschoonmaak?
De werkende ouders van nu zijn blij als het huis opgeruimd en gezellig is, en de kinderen aandacht krijgen. Het alledaagse leven draaiend houden is al een crime op zich. Hoe zouden ze nog tijd hebben voor  een voorjaarsschoonmaak?
Nee, dat is voor hen een ver van hun bed show geworden.
Of  zijn er duizendpoten die het nog wel doen?

In mijn kindertijd lag dat heel anders, toen werd er wel schoongemaakt!
Eerzame huisvrouwen dachten, als de winter op zijn laatste benen liep, aan de Voorjaarsschoonmaak die aan de deur stond te trappelen. En jawel, zodra het weer wat beter werd was het moment daar.

Ik weet nog goed goed hoe bar ongezellig ik die schoonmaak vond.
En het hele gebeuren was ook niet zomaar voorbij. Eer het hele huis een beurt had gehad, tot de kelder aan toe, waren we mooi een paar weken verder.
Er werd van boven naar beneden gewerkt. De karpetten werden naar buiten gesleept en op het kledenrek uitgehangen en geklopt.
Gordijnen werden afgehaald, gewassen of naar de stomerij gebracht. Ramen en deuren gingen wijd open. Vervolgens werden de bedden naar beneden gesjouwd, en dat waren er heel wat. De dekens werden uitgehangen en gelucht. Soms ook werd een wollen deken gewassen. En dat was echt een precisie gebeuren – om een wollen deken zo te wassen dat hij niet kromp.
De bedden werden buiten grondig met de mattenklopper bewerkt. Er werd niet alleen bij ons gesjouwd en geklopt, overal vandaan klonk het kloppen. En dat was dan weer een schrale troost.
De bedden gingen terug naar de zolder, opgemaakt met schoon linnengoed – en hoe fris rook dat! En zo kreeg vertrek na vertrek een beurt.

Bij iedere schoonmaak kreeg natuurlijk ook de de voorkamer een beurt. In de voorkamer was van alles te vinden wat mijn interesse had. Als die kamer een beurt  kreeg was ik er als de kippen bij. Dat feestje liet ik mij niet ontglippen.
Ook daar werden de houten kasten uitgesopt en de planken voorzien van nieuw kastpapier. En als alles dan op tafel stond uitgestald zag ik een heleboel  dingen die in de kast verborgen bleven.
In één kast stond het luxe glaswerk, en ook dat kreeg een grondige afwasbeurt.
Maar er werden in die kast ook herinneringen bewaard.
Daar stonden ook de zilveren lepeltjes, die mijn vader in zijn jeugd met een schaatswedstrijd had gewonnen. Dat zijn van die details die ik nooit vergeet. De lepeltjes werden gepoetst en gingen terug in de kast. Ze staan nu als een dierbaar aandenken in mijn vitrinekast

In de lade van de linnenkast werd in een kussensloop foto’s bewaard, en kaarten die mijn vader aan mijn moeder stuurde.
Als de lade op de grond werd gezet zat ik er op mijn knieën bij. Als bijzonderheid mocht ik het kussensloop met foto’s en bewaarde kaarten bekijken.
Ik keek voor de zoveelste keer naar de foto van een onbekende oom die jaren geleden naar Miami was geëmigreerd.  Het bleef mij boeien omdat mijn oom, in groot ornaat en helemaal in het wit, tussen de palmbomen stond afgebeeld.
Ook de beschreven kaarten van mijn vader bekeek ik opnieuw met grote aandacht.
Het lijkt niets bijzonders, maar voor mij was het hele gebeuren buitengewoon, en ik  herinner het mij nog als de dag van gisteren.
Als de lade uitgesopt was, weer ingeruimd was en onder de kast werd geschoven, was het voorbij. Op naar het volgende jaar.

De Uithaal
In het najaar werd de schoonmaak, (uithaal genoemd) dunnetjes overgedaan. Gelukkig was die niet zo ingrijpend. Er werd veel minder overhoop gehaald en het duurde ook korter, het huisraad ging niet naar buiten. Het huis kreeg een zeer goede schoonmaakbeurt. Ik herinner mij weinig van “De Uithaal”, maar deze kwam zeker aan de orde bij mijn propere moeder.

Er waren nog meer veranderingen waardoor de “Grote Schoonmaak” ter ziele ging.
Wikipedia zegt erover: De oorspronkelijke noodzaak ontstond door de kolenkachels van toen, en door de beperkte stofzuigmogelijkheden, en ook waren er meer mensen in een huis.
Dit alles maakte een voorjaarsschoonmaak noodzakelijk. Schoonmaakacties in de lente kunnen uit gewoonte nog de voorjaarsschoonmaak genoemd worden.

Aan de echte Voorjaarsschoonmaak heb ik nooit zo meegedaan. Ik geloof dat hij toen al minder in zwang raakte. Bovendien vond ik het niet nodig om mijn huis, waar regelmatig werd gewerkt, ook nog eens met bezemen te keren.

Eilaas, en toch komen er bij mij in het voorjaar schoonmaakkriebels om de hoek kijken.
Zo loop ik mijn kasten na wat er weg moet, en in huis ga ik extra opruimen. Ook laat ik klusjes uitvoeren die volgens mij nodig zijn. Misschien toch een overblijfsel uit de lange schoonmaaktraditie die mij met de paplepel werd ingegoten?

Misschien zijn er wel mensen die het niet met mij eens zijn, en het nodig vinden wel ieder jaar de Voorjaarsschoonmaak uit te voeren. Zou best kunnen.

 

Gratis lid worden van mijn blog? Dat kan.
Als je rechts boven je naam invult rolt ieder nieuw blogbericht in je postvak

 

Geplaatst in nu, vroeger | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 12 reacties

Van krib naar babykamer

Een aardige bijkomstigheid van oud worden is dat je, terugkijkend op je leven, naar je geschiedenis kijkt en verwonderd constateert dat de veranderingen groot en verbazingwekkend zijn.

Slapen in een krib

Het huis waarin ik als kind woonde was ouderwets en stond op het erf van onze tuinderij.
Ik vraag mij af of er nog huizen bestaan waarin je een bedstede vindt, buiten de musea om dan.
Zelfs in mijn kinderjaren waren bedsteden al op één hand te tellen. Maar wij hadden ze, en wel drie in getal. Eén in de achterkamer en twee in de voorkamer.
De twee kamers lagen achter elkaar. De achterkamer was voor dagelijks gebruik en de voorkamer  werd vooral op zon- en feestdagen gebruikt. Het was de mooie kamer, groter  dan de achterkamer en deze kamer keek uit op de dijk. Als we daar ’s zondags met zijn allen zaten voelde je echt dat het zondag was. En met Kerst of hoogtijdagen aten we daar ook en dat was heel feestelijk.

De bedsteden in de voorkamer werden gebruikt als kasten. Daar werden bijvoorbeeld ook de gedroogde appeltjes bewaard.
Mijn moeder schilde de zogeheten sterappeltjes, sneed ze in vier schijfjes waarna ze de schijfjes als een ketting aan een lang touw reeg. Dat was dat, maar nu moesten de appeltjes nog worden gedroogd. Mijn moeder had overal contacten en wist er wel raad mee.
Als de bakker langs kwam om het brood te bezorgen nam hij de lange appelkettingen mee om in de bakkerij te drogen. Na het drogen bracht hij ze mee terug, en zo was ook dat weer opgelost.
Die appeltjes waren best lekker, we aten ze de hele winter door. Groenten en fruit waren in die tijd nog aangepast aan de seizoenen, in de winter was er veel minder fruit.

In de bedstee van de achterkamer sliepen mijn ouders, en jarenlang lag er een ook een baby in de kribbe, ieder jaar een nieuwe boreling.
Direct na de geboorte werden we in de krib gelegd. Het kribje hing in de breedte van het bed aan de wand, boven het voeteneind. Het was eigenlijk een heel klein houten ledikantje.

De bedstee op de foto is iets anders dan bij ons, maar lijkt er wel op. En de nachtspiegel stond er niet omdat de bedstede beneden was. Onder het bed hadden wij schuifdeurtjes.

Ik denk dat het voor een baby veilig voelde om de eerste maanden zo dicht bij je ouders te zijn, en de vertrouwde stem van je moeder te horen.
Direct na je geboorte in een eigen slaapkamer liggen en abrupt alleen zijn, voelt dat wel veilig vraag, ik mij wel eens af.
De draagzakken van tegenwoordig lijken mij een mooi alternatief.
En sinds een jaar of tien bestaat er ook  de zogenoemde: baby-krib. Het is een klein zacht babybedje dat om de baby heen past, en je overal neer kunt zetten. Lijkt mij zo heerlijk voor een baby.
Ik weet niet hoe lang ik in de krib heb gelegen, het zal vast langer zijn geweest dan de anderen, want ik ben de laatste van het elftal.

Verhuizen naar boven

Na de kribperiode verhuisden we naar boven. Maar van een weelderig ingerichte, eigen  slaapkamer was nog steeds geen sprake.
We hadden naast de bedstede beneden, boven één grote slaapkamer waar de meisjes sliepen. Voor de jongens stonden ledikanten op de  grote zolderkamer.
Later sliepen mijn zusje en ik, door ruimtegebrek, ook op de zolderkamer. Door een lang gordijn om ons bed heen werd een slaapkamer gecreëerd
De echte slaapkamer was bestemd voor Catrien, de hulp in de huishouding.
Catrien was aangenomen voor dag en nacht, met kost en inwoning gratis, zoals dat werd genoemd. Dit is nu onvoorstelbaar maar vroeger kwam dat veel meer voor.

Veel later verhuisden we naar een modernere woning met meerdere slaapkamers.
En toen mijn broers en zussen allemaal getrouwd waren en ik alleen nog thuis woonde kreeg ik ineens een slaapkamer voor mezelf, en wat voelde dat riant!

Wat jaren later (1961) maakte ik kennis met Frans, het was meteen bingo!
Toen we een jaar later wilde trouwen maakten we kennis met de woningnood. Want ook toen was het voor een trouwlustig stel bar en boos om een huis te vinden. Die woningnood kwam niet uit de lucht rollen, maar was er eigenlijk al jaren.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden veel huizen verwoest waardoor veel mensen opeens hun huis kwijt raakten.
Na de oorlog werd er begonnen aan de wederopbouw van Nederland. Maar allereerst werd er gewerkt aan de infrastructuur, zodat de havens, bruggen, en wegen weer gebruikt konden worden.
Daarna kreeg de woningnood alle aandacht. Er werd overlegd en gebouwd. Maar het ging jaren duren om de woningnood op te heffen, zodat twintig jaar later er nog altijd grote woningnood bestaat.
Maar gelukkig, na lang zoeken vonden we ons optrekje. Op de helft van een vliering was een minuscuul huisje gecreëerd. We gingen uit ons dak van vreugde, al was het hele gebeuren maar rond de 25 meter. We hadden een eigen plekje.
Anderhalf jaar later werd Mariska geboren. De slaapkamer was zo klein dat haar wieg tegen ons bed aan stond. Maar het voelde heel knus dat de baby zo dicht bij ons sliep.

Het is 2022 en de woningnood lijkt nu groter dan ooit.
Toen onze kinderen jong waren konden ze, weliswaar met wat moeite, vaak een huis kopen. Maar op dit moment kunnen de meeste jongeren geen huis kopen. Zelfs als ze samen werken is het lang niet altijd mogelijk. De peperdure huizen rijzen de pan uit, en   zo zijn we zijn weer terug bij af.

De tijd gaat verder

Maar de tijd ging verder, het zolderkamertje veranderde in een eigen huis. We hadden het druk met werken en voor de kinderen zorgen. Ondertussen veranderde de tijd, terwijl we er niet bij stilstonden hoe snel het ging.
Maar we beseften wel hoe rijk we het hadden en hoeveel weelde er was vergeleken met onze jeugd. We wisten nog de verhalen van onze ouders, hoe de meeste mensen toen moesten ploeteren voor een karig leven, maar ook hoe tevreden de mensen waren.
Mijn schoonouders waren, naar de maatstaven van nu, arm met hun elf kinderen.
Maar wat is arm? Mijn schoonmoeder zei altijd: “Wat leven we gelukkig, en dat zo lang, waar hebben we het aan verdiend!” Ik noem dat levenskunst.

Maar hoezeer de tijd veranderde besefte ik jaren geleden toen ik met dochter Mariska aan het winkelen was. We waren in een grote meubelhal in Amsterdam en kwamen uit bij de afdeling babyslaapkamers. En ik wist werkelijk niet wat ik zag.
Op dat moment dacht ik aan de kribbe uit mijn jeugd, aan het leven van toen.
En hoe trots wij als ouders waren dat onze kinderen sliepen in een rieten ledikantje dat we speciaal hadden laten maken.
Maar wat ik hier zag. Er waren ongeveer 15 babyslaapkamers opgesteld, de één nog mooier dan de ander met prachtig bijpassende commodes. De luxe kon niet op.
Het is fijn en heerlijk om je kindje in een prachtige babykamer welkom te heten. Maar zonder al die al die luxe waren onze ouders, en later wij, ook zielsgelukkig met onze kinderen.

En natuurlijk ben ik met een heleboel dingen gewoon meegegaan met de tijd. De benenwagen heb ik ook ingewisseld voor een auto. Ik geniet van de gemakken van deze tijd. Maar wel altijd met de gedachte dat het heel bijzonder is wat we nu hebben.

Al besef ik ook maar al te goed dat niet iedereen meegeniet van de welvaart.
Dat de afstand tussen rijk en arm veel te groot is, en dat die kloof in onze tijd alleen maar groter wordt verdient niet de schoonheidsprijs.

Geplaatst in nu, vroeger | Getagged , , , , , , , , , , , , , | 14 reacties

Wat een oorlog allemaal teweeg brengt

Wie ik ook spreek en waar ik ook ben, overal komt de oorlog in Oekraïne ter sprake. We leven mee met het lot van het Oekraïense volk en we houden allemaal ons hart vast waar dit op uit kan lopen.

Ik hoorde van een journaliste dat zij veel ouderen spreekt die de Tweede Wereldoorlog nog hebben meegemaakt.
En ze vertellen dat door deze oorlog oude wonden open opengaan, trauma’s herleven. En dat is ook bij mij het geval.

Toen op 10 mei 1940 de oorlog uitbrak was ik veertien maanden oud. Op mijn zesde jaar kwam de vrede.
Gedeeltelijk vertel ik uit overlevering, maar van later in de oorlog heb ik wel herinneringen. Hoe klein ik ook was, de oorlog is niet langs mij heengegaan.
Vroeger ging men ervan uit dat spanningen en geweld langs een kind heengaan en hen niet veel doen. Uit studies blijkt echter iets heel anders: baby’s voelen zelfs in de baarmoeder al spanningen aan en kunnen ook al gestrest raken.

Nadat mijn vader in 1939 overleed nam mijn oudste broer Piet de tuinderij van vader over. Het was een groot stuk land waarvan het achterste gedeelte nog braak lag en ontgonnen moest worden. Er stonden bomen op die gerooid moesten worden en de grond moest worden voorbewerkt om straks gezonde gewassen te oogsten.
Piet ging er keihard tegenaan en met jonge voortvarendheid te werk. Hij wilde het bedrijf van onze vader in stand houden en zo mogelijk groter maken.
Helaas, het liep anders. Piet voelde zich al een poosje niet fit. Hij had pijn in zijn rug en de pijn werd steeds maar erger. Tot hij inzag dat het zo niet langer kon en naar de dokter moest. Na onderzoeken kwam er een verpletterende uitslag: Piet had TBC in zijn lendenwervels. Heel plotseling was het gedaan met het harde werken.
Er werd een gipsbed aangemeten voor zijn rug en hij moest gaan kuren, zoals dat toen werd genoemd. De artsen hoopten dat zijn rug er door zou genezen. Het gipsbed was zo gemeten dat hij plat op zijn rug moest liggen, hij kon zich niet omdraaien.

’s Zomers lag hij in een kuurtentje op ons erf, maar ’s winters stond het hoge ziekenhuisbed in de voorkamer, dicht bij het raam.

Intussen was het ook oorlog. We woonden onder de rook van Rotterdam. In het begin van de oorlog werd de binnenstad van Rotterdam platgebombardeerd en totaal verwoest om de stad tot overgave te dringen.
Ook in Barendrecht werd hevig gevochten. Op 13 mei 1940 vond de slag om de Barendrechtse Brug plaats.
De hele oorlog vlogen ’s nachts bommenwerpers beladen met bommen over ons huis. Ik was bang, heel bang, als ik in de verte het monotone gezoem van de vliegtuigen hoorde. Angstig vroeg ik mij af of ze weer over ons huis  zouden vliegen.

Eén keer kwam een bom zo dicht bij ons huis terecht dat de ramen van de voorkamer het niet hielden. De luchtdruk was zo hoog dat de glasscherven door de kamer vlogen. Piet lag op het hoge ziekenhuisbed en de scherven kwamen ook op zijn bed terecht.
Ik schrok vreselijk, Piet lag daar weerloos en vastgeklonken aan zijn gipsbed, waar moest hij heen?
En boven alles uit klonk het angstaanjagende geluid van loeiende en gillende sirenes die hun klanken uitgoten over de polders.

Piet heeft bijna heel de oorlog in zijn gipsbed gelegen en gekuurd. In december 1944 overleed hij. Hij was 18 jaar toen hij ziek werd, en 22 toen hij stierf. (Onafwendbaar)

De oorlog in Oekraïne kwam niet onverwachts – tenminste, niet voor mij. Het voelde al langer heel onheilspellend. Vlak voor de oorlog uitbrak had ik een nachtmerrie.

In mijn oren klinkt een afschuwelijk geluid. Ik hoor het dreunen van bommen die worden afgegooid op woonhuizen. Een oude, diepe angst laait in mij omhoog en knijpt mijn keel dicht: het is oorlog. Amsterdam wordt gebombardeerd. Daar wonen mijn kinderen!
Paniek golft door mij heen, wanhopig vraag ik mij af : wat gaat er allemaal gebeuren?
Ik luister, het wordt stiller. Het geluid ebt weg, ik hoor niets meer. Dan dringt het traag tot mij door: ik droom dat het oorlog is. Amsterdam wordt niet gebombardeerd!
Ik voel opluchting, maar tegelijk voel ik de drukkende last en de angst van een naderende oorlog.

De Tweede Wereldoorlog heeft een wissel op mijn leven getrokken.
In 1967 was Israël in conflict met zijn buurlanden: bekend als de zesdaagse oorlog.
Die oorlog duurde dus slechts 6 dagen, maar was lang genoeg voor mij om  onverwerkte, hevige angsten in mij op te roepen. Radeloosheid overspoelde mij.
Ik  was in verwachting van onze zoon en de angst voor een Derde Wereldoorlog was onverdraaglijk en zoog mij mee in een allesoverheersende depressie. Alle levenslust stroomde uit mij weg. Er was alleen maar angst.
Er was veel voor nodig en het heeft lang geduurd eer ik weer helemaal “de oude” was. (De zesdaagse oorlog)

Het verbaast mij dat het gewone leven ook tijdens een oorlog gewoon doorgaat.
Als ik de beelden uit Oekraïne zie valt het mij ook nu weer op dat mensen doorgaan alsof het vanzelfsprekend is. De drang in mensen om te overleven is groot en wonderlijk. Het stelt hen in staat te doen wat nodig is om te overleven.
Maar het is niet gewoon dat mensen in volle schuilkelders moeten eten en overnachten.
Het is niet gewoon dat kinderen doodsbang zijn om te gaan slapen, zich vastklampen aan hun ouders en niet alleen durven zijn.
Hoe vreselijk, ook daar ontstaat weer een nieuwe generatie kinderen die levenslange trauma’s en angsten met zich mee zullen dragen. Dit is wat een oorlog allemaal teweeg brengt.

Ik ben diep onder de indruk van het Oekraïense volk en van hun leider Zelensky.

Ik denk ook vaak aan de bevolking van Rusland – hoe vergaat het hen, hoe voelt het om onder het regiem van een dictator te leven? Er komt sporadisch iets naar buiten over hoe de mensen daar zuchten en lijden onder het regiem en onder de zware sancties die het Westen hen oplegt. Door een totale afsluiting van buitenlands nieuws horen zij alleen leugens over de glorieuze opmars van Poetins leger en als contrast de grote verliezen van het Oekraïense leger.

Ook bij ons ging het leven tijdens de oorlogsjaren gewoon door. Het land werd bewerkt, er werd geoogst. We gingen naar school als het enigszins kon.
En Adrie, mijn oudste zus, trouwde. Er werden kinderen geboren, er was een bepaalde regelmaat in het leven. Echter, het weten dat het oorlog was voelde beklemmend en zeer angstig en lag als een zwarte deken over alles heen.

Er zijn steeds minder mensen in ons land die de oorlog hebben meegemaakt. Dat betekent dat een oorlog ver achter ons ligt. Wat heerlijk dat onze kinderen in rust en vrede konden opgroeien, en dat dit een grote zegen is beseffen we nu meer dan ooit.
Laten we hopen en bidden dat er ook vrede komt voor het Oekraïense volk en voor onze wereld.

Geef vrede, Heer, geef vrede
de wereld wil slechts strijd,
Al wordt het recht beleden

De sterkste wint het pleit

Het onrecht heerst op aarde
de leugen triomfeert
Ontluistert elke waarde
o red ons, sterke Heer

Geef vrede, Heer, geef vrede
bekeer ons felle hart
Deel ons uw liefde mede
die onze boosheid tart

die onze mond leert spreken
En onze handen leidt
Maak ons een levend teken:

 

Uw vrede wint de strijd.

Geplaatst in nu, vroeger | Getagged , , , , , , , , , , , , , , | 10 reacties

Van een zonnig terras en een vriendelijk taferereeltje

De oorlog in Oekraïne houdt mij bezig. We worden overspoeld met de meest vreselijke berichten uit Oekraïne en zo zijn we onverwacht getuigen van een gruwelijke oorlog. Onmacht, hopeloosheid, boosheid en verdriet, wie voelt het niet? In gesprekken klinkt onze wanhoop en bezorgdheid over wat er gaande is. Onze verbijstering ook dat we zo weinig kunnen doen, en dat één persoon het voor het zeggen lijkt te hebben.
Het ziet er op op dit moment niet naar uit dat er snel een einde aan deze oorlog komt, tenzij er een wonder gebeurt. Maar laten we vurig blijven hopen en bidden dat er een gunstige wending komt zodat er een einde komt aan het onnodige lijden en bloedvergieten.

Als schrijfster zie ik soms onverwacht iets dat mij raakt, en dan schrijf ik er een blog over. Dat kan op het eerste gezicht iets alledaags zijn.
Vorige zomer toen ik geen blogs schreef maakte ik wel aantekeningen, en schreef dan flarden op van dingen die mij opvielen, dingen van alledag.

In onze verwarde, angstige en gewelddadige wereld is dit er gelukkig ook nog.

Van een zonnig terras.

Onze ochtendwandeling over het singeltje zit er bijna op. En al was het een mooie wandeling – we zijn blij dat we er  zijn. Vóór ons in de diepte ligt het terrasje met het oude schoolgebouw.
“Er staan weinig tafeltjes buiten, en maar één met een parasol” zegt Etty, mijn vriendin.
“Ja, zo te zien verwachten ze geen horde mensen,” antwoord ik.
We lopen naar het tafeltje waar de parasol staat, want de zon is al warm. De vorige keer zaten we hier ook zo fijn. Het was vanochtend bij het wakker worden al duidelijk dat het een warme dag zou worden.

Vreemd eigenlijk dat nog weinig mensen dit plekje hebben ontdekt. Terwijl het terrasje met de gele tafeltjes en witte stoeltjes toch een bijzonder gezellige uitstraling heeft.

Een paar jaar geleden werd  het voormalige schoolgebouw verbouwd tot een buurthuisonderkomen. Het bijbehorende schoolpleintje werd omgetoverd tot dit terrasje. Gelukkig komen er de laatste tijd wel meer mensen langs om te kijken naar wat ze hier aanbieden. Het activiteitenaanbod groeit snel, er komen steeds meer voorzieningen voor jong en oud. Wat dat betreft voldoet het aan een behoefte in de wijk en dan zal het terrasje ook wel gevonden worden.

Het is nu nog stil maar straks komen de kinderen van de nieuwe school het plein gebruiken als speelplaats, dan is het gedaan met onze rust.
De grote wijdvertakte bomen die om het terras heen staan zijn oud en hebben dikke stammen. De  zware met groen beladen takken hangen roerloos in de zon. Heel in de verte klinkt het roepen van een kind, en ik hoor het krassende geluid van een kraai.

En ineens doorstroomt mij een gevoel uit mijn kinderjaren en ervaar ik weer de vredige stilte van het platteland uit mijn jeugd. Ik voel de verstilling van de warme zomeravonden die vol waren van verre geluiden.

Plots strijkt er een grote groep merels neer in een boom, de takken komen erdoor tot leven. Het vrolijke gekwetter en gekwinkeleer van de vogels verdrijft de stilte. Maar even plotseling, als bij toverslag, verdwijnen ze allemaal tegelijk als één grote zwarte zwerm het luchtruim in. Ik kijk ze na en vraag mij af: wat gebeurt er met de vogels dat ze allemaal tegelijk als één grote zwerm opstijgen, alsof iemand ze een teken geeft tot hun gezamenlijk vertrek.

Er zal, hoop ik op internet, vast wel een verklaring voor te vinden zijn,  ik ga het toch eens uitzoeken.

Een vriendelijk tafereeltje

Aan de zijkant van het speelplein zit, op een bruin houten bank, een oudere dame. Ze heeft, ondanks dit prachtige weer, een lange donkerbruine regenjas aan.
Vóór haar staat een wandelwagentje met een klein meisje erin. Is ze de oma? Of een buurtje die even op het kindje past?
De oude dame buigt haar hoofd naar het wandelwagentje. Ze praat en lacht naar de kleine meid, terwijl ze het wagentje zachtjes heen en weer rijdt. Het kindje vindt het prachtig, haar schaterlach klinkt vrolijk over het speelplein.
Dan pakt de vrouw voorzichtig het meisje op uit de wandelwagen en loopt behoedzaam naar de schommel.  Ze gaat zitten en brengt met haar voeten de schommel in beweging terwijl ze zachtjes zingt:

Eija kindje, ik wieg je.
Was ik zo moe niet dan droeg ik je.
Was ik jou, en jij wiegde mij
dan sliep ik al lange en droomde blij.
Eija kindje, slaap. *

Ze zingt het liedje keer op keer en heeft nergens anders oog voor dan het kindje dat ze vasthoudt. Het meisje is tijdens het zingen en wiegen in slaap gevallen. Even later wordt ze voorzichtig in het wagentje gelegd, daarna gaat de kap omhoog voor de felle zon. De vrouw haalt uit haar tas een enorm grote hoed waardoor haar gezicht onzichtbaar wordt. Ze staat op en loopt verstild achter het wagentje het schoolplein af.
Nu zijn wij en de stilte nog over op het plein.

Als we aan ons tweede bakkie koffie beginnen is het gedaan met onze rust.
Jolig, en uitgelaten blij stromen de kinderen uit het naastgelegen schoolgebouw het pleintje op. Het is kwart over twaalf en middagpauze. Ze hebben gegeten en nu is het tijd om te spelen.  Ze rennen lachend, elkaar duwend en trekkend naar de schommel en spelen tikkertje aan de zijkant van het plein. Tot ook zij de warmte voelen, rustiger worden en na een poosje uitgefladderd zijn.
Een groepje kinderen is in het gras gaan zitten en ze vermaken elkaar met vrolijke verhalen. Het ziet er vredig uit zoals ze daar met elkaar in de zon zitten.

“Zullen we hier ook maar lekker lunchen?” stelt Etty voor.
“Dat zijn twee zielen, één gedachte,” lach ik en pak meteen het menukaartje.
Het aanbod is summier, maar wat zou dat, onze magen verlangen slechts naar een eenvoudige lunch.
Ik geniet ervan dat er voor mij als vegetariër genoeg te kiezen valt, dat was voorheen wel anders. Nu steeds meer mensen het vlees laten staan is het assortiment enorm uitgebreid. En dat doet mij deugd. Trouwens, is er iets lekkerder dan een heerlijke kop gekruide tomatensoep met een uienbroodje?🙂 De soep natuurlijk wel zonder balletjes. Etty volgt mijn voorbeeld, want haar maag taalt steeds minder naar vlees.  

De lunch smaakt ons opperbest. Nee, we hebben echt geen spijt van ons keuze.
We blijven nog een poosje zitten om te genieten van het heerlijke plekje, we hoeven ons voor niemand te haasten. Dit zijn nu de geneugten van de ouderdom!
“Zullen we een glas sinaasappelsap nemen ter afsluiting?  Ze hebben hier heerlijke versgeperste,” stel ik voor.
Als de glazen leeg zijn wordt het echt tijd om ons plekje te verlaten. Na het afrekenen strekken we onze benen voor de thuisreis.

We voelen ons tevreden en welgedaan lopen we de weg terug naar huis.

                                               Dit was onze wandelroute

* Op internet kan ik nergens de precieze tekst van het slaapliedje vinden:
Eija kindje, ik wieg je.
Ik ben benieuwd of er lezers zijn die vroeger ook dit liedje op school zongen?

Geplaatst in nu | Getagged , , , , , , , , | 4 reacties

Waarom blog ik?

In deze blog stel ik mezelf vragen die een enkele keer wel eens aan mij worden gesteld.

Waarom blog ik?
Omdat ik graag schrijf, hoe simpel kan het zijn. Omdat het leven weinig inhoud heeft, leeg en doelloos voelt als ik niet schrijf.

Wat een wonder dat we leerden praten, lezen, en schrijven. Wie en hoe zouden we zijn zonder? Hoe zouden we met elkaar kunnen communiceren?
Nu Kilian, mijn achterkleinzoon, drie jaar oud is maak ik voor de derde keer mee hoe een kind zich ontwikkelt en leert praten. Eerst kleine woordjes, die uitgroeien tot zinnen. Ongelooflijk hoe snel Kilians woordenschat zich uitbreidt. En zo leuk om te zien hoe hij er zelf van geniet dat hij middels praten contact heeft. Als je erover nadenkt hoe snel de ontwikkeling bij een baby verloopt… een compleet wonder.
Jonge moeders hebben het druk als de kinderen klein zijn. Ook bij mij was dat het geval. Ik had weinig tijd om naar de kinderen te kijken zoals ik nu naar Kilian kijk.
Bovendien sta je als ouder zo dicht bij je kind dat je niet alles ziet of opmerkt.
Toen onze kinderen klein waren, werd er vaak om half acht ’s morgens gebeld of ik alstublieft in wilde vallen voor een zieke leerkracht.
Dan was het echt wel haastje-repje geblazen om met twee kinderen op tijd voor de schooldeur te staan. Dan blijft er weinig tijd over om over het leven te peinzen of te filosoferen. De verzorging van het gezin en de drukte van het leven slokte mij op.

Zeker, ik heb met volle teugen genoten van onze kinderen, en vond het een feest dat ze er waren. En later evenzeer van onze kleinkinderen. Maar het valt mij op dat ik als overgrootmoeder – ‘Omi’, zegt Kilian – weer anders kijk dan toen ik oma was.

Ik leef nu bewuster en rustiger omdat ik veel meer tijd heb. Daardoor zie ik meer dan vroeger. Dit is voor mij het wonderlijke en mooie van ouder worden.

Waarom blog ik?

Ik weet nog dat ik op school de opdracht kreeg om een opstel te schrijven. Onderwerp: Het kampvuur.
Als er iets ver van mijn belevingswereld stond was het kamperen en ’s avonds bij een kampvuur zitten. Ik wist nog net dat er mensen waren die kampeerden, maar dat was het. Echter, dit deed niet ter zake, de opdracht stond er en moest worden uitgevoerd.
Ik wist mij geen raad. Wat moest ik hiervan brouwen?
Wat ik ervan gemaakt heb? Ik weet het niet meer, maar er rolde in ieder geval een verhaal uit mijn pen. Weliswaar natuurlijk van begin tot eind gefantaseerd, maar daar maalde niemand om. En het werd bekroond met een goedkeuring.

Vanaf dat moment wist ik dat schrijven iets met mij deed. Door te schrijven kan ik schilderen en spelen met woorden. Ik kan schrijven over vreugde en verdriet over alles wat mensen meemaken of iets vertellen over mijzelf. Ik zie het verhaal onder het schrijven groeien en dat is voor mij het feest van schrijven. Er komt iets op papier te staan wat er nog niet was.

Maar er is nog meer. Door het schrijven kan ik mij uiten. Vertellen over vroeger en ook over het nu. Hoe het voelt om als oudere te leven in een wereld die razendsnel verandert. Soms gaan veranderingen geleidelijk zodat je het niet opmerkt en bent vergeten hoe het eertijds was.
Ik ben in 1939 geboren, er waren andere gewoonten, en over veel dingen werd anders gedacht.
Het kwam, toen wij kinderen kregen, nog sporadisch voor dat een man achter de kinderwagen liep. Maar mijn Frans trok zich er niets van aan en liep zo trots als  een pauw achter de kinderwagen. Mannen moesten flink en sterk zijn! En Huilen? Dat deed een man niet, en hoorde niet voor een man. Misschien leuk om daar ook eens een blog aan te wijden?

Deze week schreef een medeblogster mij: er zijn maar weinig mensen van jouw leeftijd die bloggen. Dat is waar en ook wel jammer. Er zijn natuurlijk meer ouderen die schrijven. Ik vraag mij af waarom zij niet gaan bloggen.
Wie veel reist heeft veel te verhalen. Wie oud is, heeft veel nagedacht en meegemaakt en dat kan mooi of belangrijk zijn om op papier te zetten.

“Waarom zet je verhalen op internet?”
Omdat ik mijn verhalen wil delen. Als ik niet publiceer schrijf ik mijn verhalen alleen voor mezelf. Ik word er een blij mens van dat mensen het fijn vinden om mijn verhalen te lezen. En inmiddels kan ik het contact met lezers niet meer missen.
Al vind ik het, om eerlijk te zijn, nog steeds een waagstuk om iets te publiceren. Want in mijn blogs laat ik mezelf zien. Door mijn verhalen prijs te geven aan internet steek ik mijn hoofd boven het maaiveld. Mijn schrijven wordt beoordeeld. Mensen vinden er iets van, dat hoort erbij. Vooral in de begintijd vond ik dat heel eng.
Maar ik schrijf onverdroten door. Als ik niet publiceer heb ik geen klankbord.
We zijn sociale wezens, we hebben elkaar nodig om te kunnen bestaan. We kunnen niet buiten elkaar. Een beetje aandacht en vriendelijkheid doet iedereen goed.
Vanochtend moest ik in het ziekenhuis drie euro parkeergeld betalen. Het lukte mij even niet bij de betaalautomaat.
Een jonge vrouw, die een paar meter achter mij stond, zag het aan en vroeg vriendelijk: “Zal ik u even helpen?” Ze pakte haar eigen betaalpas, tikte resoluut haar pincode in en betaalde. Toen ik de drie euro contant wilde afrekenen, zei ze lachend: “Nee hoor, dat hoeft niet.” Ik was helemaal confuus en overrompeld door haar vriendelijkheid. En nog steeds!

Als ik zo graag blog, waarom stop ik dan soms een paar maanden of zelfs wel een jaar met bloggen?
Omdat ik het soms nodig heb mijn blog even los te laten. Om voor mezelf even pas op de plaats te maken. Tenslotte ben ik niet meer de jongste, soms heb ik even rust nodig. Na het overlijden van Frans had ik het, nog meer dan voorheen, nodig om stil te staan en te voelen. Om na te denken hoe ik verder kan en wil met mijn leven en het schrijven van mijn blog.

Geplaatst in nu | Getagged , , , , , , , , , , | 8 reacties

Plattegrond van mijn handtas

In mijn boek noem ik de mensen waarover ik schrijf bij hun roepnaam.
Ik heb besloten dit vanaf nu ook op mijn blog te doen. Voor mensen die mijn boek hebben gelezen zijn de namen al bekend.
Voor anderen zal het misschien even wennen zijn, maar het wordt vanzelf duidelijk. En verder is mijn boek in iedere boekhandel nog bestelbaar, dit even terzijde.

Het overkomt mij tegenwoordig meer dan vroeger dat ik dingen vergeet. Gelukkig overkomt het niet mij alleen, in gesprekken met leeftijdsgenoten hoor ik niet anders. Dat is een troost, niettemin een schrale!

Het gebeurt soms dat ik aan de kassa bij de Jumbo koortsachtig moet zoeken naar mijn portemonnee.
Vandaag is het weer hetzelfde liedje, en daar gaan we weer.
Hup, rits open, hier? Nee. Volgende rits, nee. O, hier in het vak aan de achterkant, natuurlijk. Nee, nee. Het zweet breekt mij uit. Waar is mijn portemonnee, waar zit dat ding ? Achter welke rits? Binnen in de tas dan? Volgende rits open, ook niet!
De kassière blijft beleefd en wacht in een veelzeggend zwijgen.  Achter mij staat een dame die, niet bepaald zacht, een diepe zucht slaakt.
Ten einde raad begin ik dezelfde zoektocht opnieuw. En jawel hoor, hij zit gewoon in het vak waarin ik hem “bijna” altijd opberg.
Van een gat in de lucht springen is geen sprake, de dame achter mij staat al met haar portemonnee klaar om af te rekenen.

Als ik haastig naar buiten loop bots ik bijna tegen de  straatkrantverkoper op.
In weer en wind staat hij hier, bij de entree van de Jumbo. Het is vandaag vrijdag en hij weet, éénmaal per week ben ik zijn klant. Hij kijkt mij  verwachtingsvol aan. Hoe is dat voor hem om de straatkrant te verkopen? Was dat zijn levensverwachting?
Tot nu gaat de transactie zwijgend en bij het afscheid lacht hij mij, zoals altijd, vriendelijk toe. Ik denk dat hij uit Nigeria komt, hij is gekleurd, lang en slank, met een voortdurende glimlach op zijn gezicht. Wat voor verhaal zit er achter die glimlach? Hoe is hij naar hier gekomen, en waarom? En waardoor is hij verslaafd geraakt zodat hij nu in de opvang zit voor thuis en- daklozen? Ik wil toch eens een praatje met hem maken en vragen uit welk land hij komt.

Vergeetachtigheid en ook dementie moeten we, volgens de bekende Hoogleraar Bewegingswetenschappen dr. Erik Scherder, te lijf gaan. Vooral niet lijdzaam ondergaan, maar aan de slag ermee. Er is van alles aan te doen. Het gaat allereerst om bewegen, bewegen, en nog eens bewegen. Excuses dat het te zwaar is, of dat je niet ver kunt lopen? Die gelden niet meer, want je mag het naar eigen kracht en in je eigen tempo uitvoeren. Veel wandelen en buiten zijn is goed voor de hersenen.  Inventief zijn, nieuwe dingen oppakken is heel goed voor onze hersenen.
Met je hersenen bezig blijven is niet moeilijk, heb ik ontdekt. Er wordt van alles aangeboden om te oefenen.  Zo heb ik bv. de geheugentrainer van Max op mijn smartphone gezet en daar kun je je hart bij ophalen, allerlei oefeningen te kust en te keur.

Iets vergeten vindt niemand leuk. Al is het wel hilarisch als ik met mijn bril op, mijn bril loop te zoeken. Het kan trouwens nog gekker. Ik heb een boekje met de titel: Mijn bril in de koelkast!

Dat verstrooide en vergeetachtige kan soms ook twijfel oproepen, en de vraag: ik zou toch niet dement worden? En die vraag is niet zo vreemd. Iedereen kent wel iemand in de naaste omgeving die eraan lijdt, en weet van nabij hoe verdrietig en ingrijpend het is. Dementie is meestal een ouderdomsziekte. Er wordt veel onderzoek gedaan naar het ontstaan van de ziekte en wat het proces wellicht kan vertragen.
Als kind hoorde ik de slogan: herhaling is de toverkracht van de reclame. Aan herhaling ontbreekt het niet bij dr. Erik Stegger. Hij beukt zijn lessen erin, en ze bereiken een breed publiek. Wie weet inmiddels niet dat wandelen medicijn is voor je brein, wat het doet met  de grote en kleine hersenen, en dat muziek veel met onze hersenen doet?

Ik voel opluchting bij het enthousiasme van dr. Erik Scherder
Het weten dat ik zelf iets kan doen aan mijn lichamelijke en geestelijke gezondheid inspireert. Al weet ik ook dat ik niet alles in eigen hand heb, ouder worden is een proces waarin van alles mis kan gaan.

Hoorde ik iets over inventief zijn? Ineens weet ik het. Ik ga het zoeken in mijn handtas oplossen zodat mijn wanhoop tot het verleden behoort.
Als ik nu eens alles in hetzelfde vak opberg is er toch geen vuiltje aan de lucht?  Dat ik daar niet eerder aan dacht?  Hoe eenvoudig is de oplossing.
Natuurlijk kan ik een tas met minder ritsen opzoeken en alles in één vak bij elkaar kwakken, maar dat is het nu net niet. Bovendien is het dan evengoed zoeken geblazen. Nee, alles moet geordend en op vaste plaatsen te vinden zijn, zoals in mijn kasten, waar ik blindelings de weg weet.

Naar aanleiding van onze veelvuldige verhuizingen tekende Frans altijd een plattegrond op schaal van ons toekomstige huis. De uitgeknipte meubels, ook op schaal getekend, verhuisden mee van huis naar huis. En als voorpret, eindeloos met de meubels over de plattegrond schuiven.
Tot de huidige meubels echt oudtands werden en we nieuwe kochten, waarop Frans wederom aan het tekenen sloeg. In mijn hoofd ontstaat  een lumineus plan.
Dat kan ik natuurlijk ook met mijn tas doen: gewoon even een plattegrond ervan maken. Ik houd het wel heel eenvoudig want zo technisch ben ik nu ook weer niet. 😉

Als alle attributen een vaste plaats krijgen in mijn tas is er geen vuiltje meer aan de lucht. Mijn hart maakt lichte sprongetjes: natuurlijk, dat is het. Nooit meer wanhopig zoeken, maar weloverwogen de betreffende rits openen, en gedecideerd naar boven halen wat ik bedoel.

Toen ik dochter Mariska van mijn vinding vertelde barstte ze in luid lachen uit.
Maar dat geeft niet, laat haar maar lachen. Bijzondere uitvindingen worden vaak niet meteen omarmd, daar gaat altijd een poos overheen. Ik heb geduld!   😉
Na haar lachbui zei Mariska ook nog: “Nou dat is wel een blogje waard”, en dat vind ik zelf eigenlijk ook!

De uitvoering van mijn plan blijkt kinderlijk eenvoudig, en het tekenen een peulenschilletje, want met de plattegrond is het  anders gelopen. Uiteindelijk resulteert het in drie strepen die de drie ritsen in mijn tas voorstellen
Op de strepen staan de attributen die in het desbetreffende vak horen. De tas heeft aan de voorkant twee ritsen, en aan de achterkant één.

                             

smartphone          schrijfboekje             pen                 agenda
————————————————————————–     rits                                        –

zakdoekjes                kam                   creme/etc             potlood
——————————————————————— —–      rits

portemonnee          portefeuille           bril           mondkapje
———————————————————————- ——       rits

En nu nog de hamvraag: heeft de operatie nog zoden aan de dijk gezet?
Jazeker,  afrekenen is inmiddels een fluitje van een cent en mijn tas lijkt mijn kast wel!

En vandaag dacht ik echt nog : wat is het een rust en wat fijn dat ik nu zonder zoeken, blindelings alles kan vinden in mijn tas. Zo lachwekkend blijkt het dus niet!

Geplaatst in nu | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , | 10 reacties

Rondreis van een kistje

In iedere familie huizen verhalen die verteld willen worden. Als we ze doorgeven schrijven we geschiedenis.

Het is alweer wat jaren geleden dat een nichtje mij belde voor een afspraak. Ze wilde, samen met haar man, eens langs komen. En natuurlijk waren ze van harte welkom!
Als de deurbel op de bewuste dag gaat is het dan ook geen verrassing wie er voor de deur staat. Wat fijn om elkaar weer terug te zien.
Een bakkie troost is meer dan welkom na de reis. Na wat gezellig heen en weer kletsen haalt mijn nichtje een dik boek uit haar tas, met grauw papier gekaft. Er gaat vaag een lampje bij mij branden.
Als ik het boek inkijk lees ik: The Holy Bible! Ineens ontrolt zich voor mij de overgeleverde geschiedenis: dit is de bijbel van mijn vader. Hij bracht hem mee toen hij in zijn jonge jaren terug kwam uit Amerika. Er werd, toen wij kinderen waren, niet uit gelezen, maar hij werd wel heel zuinig bewaard.

Mijn nichtje duikt opnieuw in haar tas en zet nog iets neer.
“Kijk,” zegt ze, “dit heb ik ook voor u meegebracht. Ik heb het geërfd toen mijn moeder overleed. Ik denk dat het bij u beter op zijn plaats is dan bij mij.” Voor mij staat een mooi mahoniehouten kistje.

 

Ik weet even niet wat er met mij gebeurt.
Dan strijken mijn handen voorzichtig over het hout. Hoe lang is het wel niet geleden dat ik het voor het laatst zag?
Het stond in mijn kinderjaren bij ons thuis, als stil aandenken aan mijn overleden vader.

Het kistje heeft iets speciaals voor mij. Het vertegenwoordigt het raadsel en de vragen die ik heb over mijn “onbekende” vader. Een vader die ik miste, zonder dat hij ooit persoonlijk deel uitmaakte van mijn leven, en stierf voordat ik werd geboren.

Het kistje heeft inmiddels een hele rondreis gemaakt, evenals de eerste eigenaar: mijn vader.
Mijn oudste zus Corrie erfde het kistje toen mijn moeder overleed. Ze was er ontzettend blij mee. Het was nergens zo welkom als bij haar. Ze hield ontzettend veel van haar vader.
Zij was het die mij eindeloos en met veel trots verhalen vertelde over onze vader. Hoe zij achterop de fiets meeging naar de markt in Rotterdam. Hoeveel zij van hem had gehouden. Hoe zorgzaam hij was voor het gezin en hoe bijzonder hij voor haar was.

En nu heb ik het kistje, na allerlei omzwervingen, in mijn handen. Het heeft precies de warme, roodbruine, mahoniehouten kleur die ik mij  herinner. 
Vroeger bij ons thuis zaten er belangrijke documenten in: het trouwboekje van mijn ouders, herinneringen uit de oorlogsjaren, etc.

Wat lief dat ze mij het kistje geeft, ze maakt mij heel blij. Ik wist niet waar het was gebleven nadat Corrie overleed.

Het wordt een gezellige ochtend waarin we oude verhalen ophalen. We kletsen over nu en over vroeger. We zijn beiden verhuisd. Even herleeft Barendrecht weer in oude glorie. Wat is er veel veranderd de afgelopen jaren, en zo keuvelen we maar door.
Als ze naar huis zijn gegaan krijgt het kistje een mooi plaatsje in mijn slaapkamer. Ik kijk er niet in omdat ik ervan uitga dat het leeg is.

Vorig jaar dacht ik ineens: dat is waar ook, er zit in het kistje een laatje dat je bijna niet kan vinden – zo mooi is het weggewerkt. Een geheim laatje, toch eens even kijken waar het zit.
Ik pak het kistje en mijn handen tasten langs het hout, terwijl ik voel en kijk.
O, hier heb ik het. Als ik het laatje open trek ben ik stomverbaasd. Er ligt een envelop in het laatje. Ik word heel nieuwsgierig, wat zit er in de envelop?

Een stapeltje kaarten, ansichtkaarten, zie ik.
Het voelt raar om die kaarten te bekijken. Ze zijn niet van mij, en ook niet aan mij gericht. Maar aan wie dan wel? Het zijn dezelfde kaarten die mijn moeder toen ik nog heel klein was ook al had. Weliswaar nu nog meer vergeeld dan toen.
Als een kind zo blij draai ik de kaarten om en om, wat een verrassing dat ik die oude kaarten terugvind. Nieuwsgierig kijk ik op de achterkant. En dan zie ik het.
Het zijn de kaarten die mijn vader vanuit Amerika aan mijn moeder stuurde. Mijn moeder vertelde er altijd over. De datum staat er op: 1910!
Sommigen zijn met een potlood geschreven en bijna niet meer leesbaar. Van ballpoints had nog niemand gehoord en inkt had mijn vader daar waarschijnlijk niet altijd voorhanden.

Maar het mooiste is dat de kaarten mij vertellen over de liefde tussen mijn ouders. Hoe bijzonder is dit!

Corrie heeft mijn vader wel gekend. Zij verloor hem toen zij 19 jaar was.
Zij compenseerde het gemis door aan mij de mooiste verhalen over mijn vader te vertellen.
Zo gaf ze mij een mooi, helder beeld van hem mee, en bracht hem dichter naar mij toe.
En hoe bijzonder, door ze aan mij te vertellen werd Corrie zelf ook blij.

 

Geplaatst in nu, vroeger | Getagged , , , , , , , , , , , , , | 18 reacties

Over oud worden en oud zijn

“Hoe voelt het om oud te worden?” vroeg jaren geleden iemand aan mij.
“O, daar voel je niks van” zei ik. “Je geest blijft jong.
“Ja, dat zei mijn vader ook altijd” was haar antwoord. Hiermee was de kous afgedaan, het gesprek afgelopen. Op haar zomaar terloops gesteld vraag, had ik wel heel snel een antwoord klaar.

Maar voelde ik echt niets van van het ouder worden? Of wilde ik zo lang mogelijk jong blijven en er niet aan denken?
Als je goed keek was het echt wel te zien dat ik ouder werd. In mijn gezicht tekenden zich kraaienpootjes af en mijn haar werd grijs. Bovendien, de kalender loog er ook niet om.
Er meldden zich ook wat kwaaltjes. Maar oud? Nee dat was ik nog lang niet.
Ineens herinnerde ik mij dat mijn moeder altijd zei: “Oud worden wil iedereen, maar oud zijn wil niemand.”

Je bent niet opeens oud. Je wordt iedere dag een beetje ouder. Het is eigenlijk een geniepig, sluipend proces, totdat je er niet meer omheen kunt.

Zo verging het ook mij. In de loop der jaren veranderde er veel in mijn leven. De volwassen kinderen kwamen met partners thuis. Er werd getrouwd, er kwamen kleinkinderen en als kers op de taart kregen we een achterkleinzoon. Het leven was vol afwisseling en drukte.

Mijn achterkleinzoon

De tijd verstreek, ik werd ouder, er overleden dierbaren en oudere vrienden. Langzamerhand werd mijn leven stiller.
En dit jaar werd ik tweeëntachtig. Dan wordt je voorwaar geen achtentwintig. Ik weet het, ik ben oud – ook al voel ik mij vaak nog jong. Maar toenemende kwaaltjes vertellen het ook.
Er ligt een lang leven achter mij ligt. Een leven waarin veel gebeurde. Het leven is niet langs of om, maar door mij heengegaan. Leven laat sporen na.
Ik weet van vreugde, van pijn en verdriet.

Toen Gijs in mei 2019 overleed werd het echt stil in mijn leven.

Als kind voelde ik soms een vaag, onbestemd gevoel van treurigheid als ik oude mensen zag. Kwam het door de stilte die ik om hen heen zag en voelde? Hoe lang hadden ze nog te leven?

Na het heengaan van Gijs lag een gapend gat van eenzaamheid voor mij. Hoe moest ik verder met mijn leven? Gelukkig bleef ik niet helemaal alleen achter, de kinderen en kleinkinderen waren er nog.
Ze komen heel regelmatig langs, en de kleine Kilian doet al even lief en dapper mee.
Het leven van nu is voor onze kinderen vaak ingewikkeld en druk. Hun eigen gezin wordt drukker en vaak slokt het hen zo op dat zij het soms amper bijbenen. Hoe lief dat zij dan toch langskomen.

En dan is er ook nog het contact met familieleden die langskomen, of bellen en appen.
Met mijn vriendinnen kan ik kletsen, koffieleuten, wandelen, scrabbelen en nog zoveel meer.
We mopperen over het digitale tijdperk, waaraan we wel moeten deelnemen om bij te blijven.
We mopperen over hoeveel inspanning dit van ons vergt. We vinden onszelf geweldig en een hele Piet als we plaats nemen achter de computer.


Maar we hebben het als “lotgenoten” ook over onze frustraties van het oud zijn. En leggen onze kwalen en kwaaltjes uitgebreid onder de loep, tot we er genoeg van hebben en iets anders ondernemen. Al zijn de mogelijkheden nu wat beperkter, we maken er iets van.
Zoals veel anderen weten ook wij, vanuit onze gemakkelijke stoel, hoe Nederland geregeerd moet worden. We zouden het veel beter doen!
We vertellen over vroeger toen we nog kinderen waren. Over mensen die wij hebben gekend en verloren, hoe dierbaar ze ons waren. We kijken naar de wereld en delen onze grote zorgen over de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen. In wat voor wereld laten we ze straks achter?
Soms hoor ik dan mijn moeder weer die vol zorg was over de donkere toekomst van haar gezin. Mijn moeder, die zelf twee wereldoorlogen meemaakte. Die in haar jeugd vreselijk ziek is geweest van de Spaanse griep die toen door de wereld raasde, en vele, vele miljoenen levens opeiste.
Is deze wereld ooit anders of beter geweest, vraag ik mij af. Kijk naar de donkere Middeleeuwen of naar de wereldgeschiedenis, dan weet je het.

Hoe voelt het voor mij om oud te zijn, want het voelt voor iedereen anders. Niet iedereen heeft kinderen en soms wonen ze ver weg. Niet iedereen is gezond en het leven kan zorgelijk zijn.
We leven in het coronatijdperk, veel mensen voelen zich eenzaam.
Het zijn niet alleen oude mensen die het nu moeilijk hebben, vooral veel jongeren hebben het moeilijk en worden op zichzelf teruggeworpen. Als oud en jong elkaar zouden vinden, begrijpen en opzoeken, hoe mooi zou dat zijn!

Ik ben oud, het is waar. Maar er is veel, ik voel mij jong genoeg om te genieten van de “kleine” dingen die er zijn, van alles wat ik heb. Er is veel om dankbaar voor te zijn.
Ik hoef niet meer te werken om aan de kost te komen, desondanks komt mijn inkomen iedere maand weer, als vanzelfsprekend, binnenrollen. Als mijn kinderen opstaan voor de werkdag, droom en soes ik nog even over de vrije dag die voor mij ligt, over wat ik allemaal kan gaan doen met deze dag,

Na het heengaan van Gijs lag een gapend gat van eenzaamheid voor mij. Na een lang leven samen, alleen verder zonder hem?
Ondanks genoeg contacten ben ik veel uren en dagen alleen, waarin het stil is.
Echter, die stilte voelt niet eenzaam meer, maar is een vriend geworden.





Geplaatst in nu | Getagged , , , , , | 20 reacties

Dit is eens maar nooit weer

Lieve lezers, na lange tijd weer een berichtje van mij.
Heb even een rustpauze ingelast maar vanaf vandaag hoop ik van tijd tot tijd weer iets op mijn blog te plaatsen.
Dat iets kan over van alles en nog wat gaan. Vandaag, op oudejaarsdag, gaat het over oliebollen bakken.
Ik schreef het eerste gedeelte van dit blogje vorig jaar, op 21 november 2021. Vandaag volgt de rest en ook de publicatie.

In dit tijdsbestek verval ik gewoonlijk, en zeker in coronatijd, in mijmeren en terugkijken naar vroeger.
Nu de jaarwisseling nadert herinner ik mij weer dat mijn moeder op oudejaarsdag altijd oliebollen bakte.

Oudejaarsdag

Het voelt vandaag net zoals het vorige jaar, het is weer even druk als toen. Er moet nog van alles gedaan worden eer we, na de kerkdienst, in een grote kring bij elkaar zullen zitten. Alles spitst zich toe op vanavond.
Vroeg in de middag zet moeder alle ingrediënten voor het bakken van de oliebollen op de keukentafel. Straks gaat ze aan de slag.
Ik wacht, zittend op een keukenstoel, het oliebollenbakkengebeuren af. Leuk dat er weer oliebollen worden gebakken en dat het vanavond weer oudejaarsavond is. Maar oliebollen bakken gaat niet vanzelf – dat weet ik ook nog van vorig jaar.
Opeens zet moeder een volle bak met appels op tafel, vlak voor mijn neus.
“Hier” zegt ze,” nu je hier zit kun je mooi helpen met appels schillen voor de oliebollen, daar ben je nu groot genoeg voor”. De appels, groot en een beetje rood, kijken mij aan.
“Ik schil wel even mee want het zijn er wel wat veel” zegt moeder.
Ik kijk hoe snel de appels door moeders handen rollen, en hoe lang de schil wel wordt. Als ik het ook probeer lukt het mij niet, de appel is veel te groot voor mijn kleine handen.
“Wacht, ik snijd de appel wel even door midden dan kun je hem beter vasthouden. Goudrenetten zijn groot, maar het lekkerst voor oliebollen,” zegt moeder.
Nu  gaat het schillen veel beter, maar zo snel als moeder? Nee dat moet ik nog leren, en mijn schil breekt ook iedere keer nog af, maar soms lukt het een klein beetje.

De appels worden in kleine stukjes gesneden. Er blijven ook appels heel, met een boor wordt er een rondje in de appels gemaakt .
Ik vind appelflappen lekkerder dan oliebollen. Maar er worden veel minder appelflappen gebakken dan oliebollen, dat is echt wel jammer want ze zijn in een mum van tijd allemaal op.

In een grote emmer, die eerst nog een keer extra geboend is, maakt moeder het beslag aan. Ze doet er naast de stukjes appel ook nog stukjes sukade en krenten door.
Als het helemaal klaar is legt moeder een schone grote doek over de emmer.
“Ziezo, en nu hopen dat het beslag goed gaat rijzen. En je weet het hé, niet stiekem onder de theedoek kijken.” Moeder kijkt mij aan.
Ja, ik weet het nog van vorig jaar. Ik was zo nieuwsgierig wat er in de emmer gebeurde dat ik het niet kon laten stiekem even onder de doek te gluren. En precies toen kwam moeder de keuken binnenlopen.
“Wat doe je nu,” riep ze.  “Niet doen, niet doen, leg snel de doek er over.” Gelukkig gebeurde het zo snel dat er niets met het beslag aan de hand was. Maar vandaag blijf ik weg bij de emmer.

Als het meel gerezen is slaat moeder aan het bakken. Ze giet olie in een grote pan en zet hem op het gas.
Ik kijk verwonderd toe hoe het beslag van de lepel in de pen rolt, een aantal wentelingen maakt en tenslotte de vorm van een oliebol aanneemt. Hoe meer beslag van de lepel rolt hoe groter de oliebol wordt.
Het wordt warm in de keuken, moeders gezicht ziet er rood van. Ze let goed op wat er in de pan gebeurt. Af en toe strijkt zij met een zakdoek het zweet van haar voorhoofd.

Op de schaal wordt de voorraad steeds groter en hoger. Op de andere schaal komen de appelflappen te liggen. Ik kijk naar de appelflappen. Ze zijn warm het lekkerst maar ik moet wachten tot vanavond. En dat is het gelukkig al gauw.

Jaren later.

We zijn nog maar kort getrouwd en wonen aan de Gebroken Meeldijk.
Half december zegt Gijs: “Ik ga van het jaar oliebollen bakken.”
Wat krijgen we nu?  Gaat hij echt oliebollen bakken? Het moet gezegd, koffie zetten en een eitje koken gaat hem handig af, en als kookhulp is hij ook geslaagd, maar daarmee houdt het toch echt op. Nee een keukenprinses is hij bepaalt niet.
Maar veel mannen blijken oliebollen te bakken, dus waarom mijn Gijs niet?
“Mijn moeder kon heerlijke oliebollen bakken,” zegt hij, “en dit jaar ga ik het ook doen.”

Op 30 december stapt Gijs ’s middags op zijn fiets om inkopen te doen voor de oliebollen.
Maar eerst heeft hij zijn moeder gebeld om te vragen wat hij in huis moet halen. Alles staat zwart op wit, de notities heeft hij in zijn zak. Het gaat helemaal voor elkaar komen.
Als hij terug is zet hij de papieren zak met goudrenetten op tafel en zegt: “Dat was kantje boord zeg, het waren de laatsten, maar gelukkig precies genoeg”.
Het karwei wordt aangevangen, geheel en al naar de richtlijnen en adviezen van schoonmama. Ik heb er geen omkijken naar, ben slechts benieuwd naar de afloop. Bovendien ben ik een leek in oliebollen bakken.
Leuk dat Gijs het oppakt!

En jawel – het vertrouwde, bekende proces uit mijn kinderjaren herhaalt zich.
Als Gijs zover is dat hij alle ingrediënten door het meel heeft gemengd, haal ik een theedoek uit de kast.  Vakkundig en trots drapeert Gijs de theedoek over de emmer. Een poosje geduld nog, dat is alles.
Als ook de pan met olie op het gasstel klaarstaat zou Gijs het liefst van start gaan, maar hij kent de instructies.

Als het grote moment gekomen is knoopt Gijs mijn schort voor en neemt het bakken een aanvang.
Als een volleerde oliebollenbakker laat hij het beslag van zijn lepel in de pan rollen. Hoopvol staren we samen in de pan wat er gebeurt. Het beslag rolt van de lepel in de hete olie zoals het hoort, maar het beslag spat als een zeepbel uit elkaar in dunne sliertjes en minuscule balletjes.  Verbouwereerd zien we het aan. De sliertjes rollen en tollen vrolijk en onbekommerd door de hete olie, onwetend van onze teleurstelling. Gijs probeert nog een lepel beslag, kijkt weer vol hoop in de pan, maar helaas.
Als na verloop van tijd de sliertjes gaar en bruinig zijn vist Gijs ze gedesillusioneerd met een schuimspaan uit de olie. De mooi porseleinen schaal die klaar staat voor de oliebollen blijft leeg. De schuimspaan wordt geleegd op een bord.

Gijs kennend laat hij het er niet bij zitten, weet ik. Hij belt wederom zijn moeder, het wordt een lang gesprek, want ook schoonmoeder is zeer teleurgesteld. Ze had het zo goed en omstandig uitgelegd, wat jammer nou.
Monter komt Gijs van de telefoon, wacht maar even het komt helemaal goed. Hij weet nu precies waar het aan ligt.
Het beslag is te dun, volgens zijn moeder is dit de oorzaak, er moet wat meel bij. Er is meel genoeg voorhanden, en een koud kunstje dus om het beslag wat dikker te maken.

En nu maar wachten op de goede afloop. Helaas, het wordt er niet beter op. Wat Gijs ook uit de pan vist, het zijn geen oliebollen.
Van de zo gewenste appelflappen komt op deze manier ook niets terecht, denk ik. De mooie schalen blijven leeg.

Maar dit is nog niet het einde van het verhaal. Hoe het gebeurde blijft onbekend, maar ineens valt de emmer met beslag op de vloer. 
Ik kijk met afgrijzen hoe het logge beslag zich een weg baant over mijn Heugaveld tegels.
Ik weet even niet wat ik moet doen. Dan zet  ik de emmer, waar niet veel meer inzit, rechtop. Ik pak een lepel uit de lade, schuif het beslag op de lepel en deponeer het in de emmer. 
Arme Gijs, hij kijkt stilzwijgend, ontgoocheld, naar de ontstane chaos.
In de deuropening van de keuken kijkt Laura met grote schrikogen naar wat er gebeurt.  Ze snapt dat ze het beste maar niets kan zeggen.

Resoluut peuter ik een Heugaveld tegel van de vloer, want opeens weet ik de oplossing, Heugaveld tegels kunnen prima tegen water. Ik houd de tegel onder de kraan en laat het water er in een straaltje over heen lopen. Het beslag sijpelt met het kraanwater mee van de mat.  De tegel ziet er weer uit zoals voorheen, niets meer aan de hand! De andere tegels volgen.

En zo stort het hele oliebollenbakgebeuren als een kaartenhuis inéén.

Maar niet getreurd, want 31 december zitten we met ons vieren heerlijk aan de oliebollen. Gijs is diezelfde middag nog op de fiets gestapt om oliebollen te kopen.

Het is nooit meer iets geworden met de oliebollenbakkerij van Gijs. Hij gaf er na deze ene keer de brui aan, het was welletjes zo, vond hij.

En verder wens ik iedereen een goed en vredig, gezond Nieuw Jaar.

Geplaatst in nu, vroeger | 17 reacties

Wel eens in een Juttersmuseum geweest?




Vandaag weer eens een berichtje. Ik weet het, de blogs verschijnen mondjesmaat maar niettemin jullie blijven toch op de hoogte van hoe het hier reilt en zeilt.

Mijn balkon met de prachtige bloeiende planten ziet er na al de regen enigszins verpieterd uit, het beloofde kiekje blijft daarom achterwege.

Een paar weken geleden heb ik een weekje op het prachtige Texel doorgebracht. Mijn dochter en schoonzoon hebben een chalet op het eiland staan en waren zo lief mij uit te nodigen voor een weekje Texel. Nu hoef ik nooit lang na te denken over zo’n uitnodiging, want Texel is het einde voor mij. Ik ben er al vaak geweest en als we de boot afrijden, voelt het zo vertrouwd alsof ik er iedere week kom. Ik hoef maar om mij heen te kijken en de bekende beelden verschijnen weer: grazende schapen, een oude boerenschuur, uitgestrekte weilanden.

Het was voor het eerst dat ik het nieuwe tweedehandse chalet zag. Voorheen hadden ze een krakkemikkige caravan, en zie nu geheel anders: een chalet met alles erop en eraan, zelfs een slaapkamer voor mij. Te gek, met een douche en een heerlijke leefhoek, ik stond echt perplex hoe luxe zo’n gebeuren is. Hier hield ik het wel een weekje uit.
Het weer was prachtig, bijna de hele week liet de zon zich op gezette tijden zien. Hoewel er ook een regendag om de hoek kwam kijken; dat, opdat wij niet zouden vergeten dat we in ons eigen landje vakantie vierden.
We haalden de tuinstoelen uit het schuurtje en alles werd aangesleept om het gezellig te maken. Er werd koffie gezet en even later zaten we prinsheerlijk te genieten met het riante gevoel dat de hele week nog voor ons lag.
Pippa de hond is altijd uitzinnig blij als ze op Texel is. Ze ging innig tevreden bij ons in het gras liggen, dromend van lange wandelingen zonder halsband en rennen door het bos.

Aan de lange wandelingen heb ik mij niet gewaagd, die heb ik overgelaten aan de jeugd. Er waren genoeg andere dingen te doen. En lezen kun je altijd en overal, zeker tegenwoordig met een smartphone op zak.

Op de voorlaatste dag, het was een miezerige weertje, gingen we naar het Juttersmuseum.
Als ik over jutten hoor, gaat er iets in mij borrelen van vroeger. Wie kent niet het bekende boek: Sil de strandjutter?

Als kind hoorde je verhalen van flessen die aanspoelden op het strand met een geschreven boodschap van een schipbreukeling. Van mensen die dagen ronddobberden op stukken scheepshout en nog net op tijd werden gered. Ik fantaseerde erover, ik zag het als kind allemaal voor mij. Ja dus, het Juttersmuseum wilde ik wel bezoeken.

VVV Texel Strandjutten: een eeuwenoude traditie.
Jutten is op het strand zoeken naar aangespoelde spullen.
Vroeger waren de scheepsladingen niet stevig verankerd en schepen verloren in een storm de macht over de zee. Er spoelden soms waardevolle spullen aan.
Tegenwoordig zijn de scheepsladingen stevig verankerd en spoelt er nog maar zelden iets moois aan.

Door de coronamaatregelen ging het er allemaal wat ingewikkeld aan toe in het museum. Er mocht maar een beperkt aantal mensen tegelijk binnen, maar daar kijkt  inmiddels  niemand meer van op. We waren vroeg en konden meteen doorlopen.
De route begon buiten. En dat was genoeg om meteen in de sfeer te komen. Er lagen grote  scheepswrakken, schepen die de storm niet hadden doorstaan.

Hoe zou het met de bemanning zijn afgelopen? Kon er hulp worden geboden vanaf de kust?

Als ik door een museum loop, wat voor museum ook, rijzen er vragen in mij omhoog waarop ik geen antwoord krijg omdat veel verborgen blijft in de tijd. Ik word daar altijd heel nieuwsgierig van.
Binnen lagen flessen, de flessen waar ik als kind zo over fantaseerde, hier lagen ze in levende lijve. We  kwamen ook schoenen tegen, in allerlei maten. Schoenen van schipbreukelingen, aangespoeld op het strand en door een jutter gevonden.

Ook een gebreide pop als stille getuige, wat is het verhaal erachter?

Ze vertoonden een film waarin een oude strandjutter zijn verhaal vertelde.
Jutten was eigenlijk stropen, het moest wel stiekem gebeuren.
Als het weerbericht storm voorspelde,  werd bij een jutter de juttersgeest vaardig en wakker.
Zodra de storm was gaan liggen, stapte de jutter op zijn fiets om het strand te verkennen.  Wat lag er op het strand? Hoe sneller en hoe eerder je op het strand was hoe groter de buit. Een echter jutter ging daarom  zo snel mogelijk na de storm naar het strand, vol verwachting wat hij tegen zou komen.
Het strandjutten was, juist omdat het niet mocht, een spannende sensatie. Het was een spel dat handig moest worden gespeeld, want het was echt verboden.

De verteller zag het allemaal weer  gebeuren en zat helemaal in zijn verhaal. Hij genoot zichtbaar weer van de spanning van toen, en hoe hij de politie te slim af was geweest.

Helaas heeft de nieuwe tijd ook voor strandjutters veel veranderd. De lading van schepen wordt nu veel beter en sterker verankerd zodat bij een zware storm de lading niet overboord gaat. Alles zit in containers. Het strandjutten is praktisch verdwenen. Het is meer geschiedenis geworden.
Maar zolang de jutters hun verhalen blijven vertellen met inleving en passie blijft ook dit stukje folklore wel in leven, want op folklore moeten we zuinig zijn. Onze geschiedenis blijft erdoor bewaard.

Toen we naar huis reden kletterde de regen tegen nog steeds tegen de voorruit.
Het was een welbestede ochtend en ik had genoeg stof verzameld om dit blogje te schrijven.

Terwijl ik het schrijf, geniet ik nog na van het heerlijke weekje Texel.

Laten we in deze tijd, die door de coronamaatregelen en alles wat het teweeg brengt een triest gevoel in ons kan oproepen, daarom vullen met onze verhalen.
Laten we elkaar vooral niet vergeten, ondersteunen en aandacht geven waar het nodig is.

 

 

 

 


Geplaatst in nu | 4 reacties