Zomaar een avond van toen

“Vind je het ook zo koud?” vraagt moeder. “Ik zet de kachel maar even wat hoger.”

Mijn moeder en ik zitten in de voorkamer. Alle broers en zussen zijn inmiddels getrouwd.  Ik woon nog alleen thuis. Op de tuinderij waar ik werd geboren, woont nu Corrie met haar gezin. En moeder en ik wonen in het huis waar Corrie voorheen woonde. Nu ik als enige nog thuis woon, is het groot genoeg. Ik zit heerlijk ontspannen en onderuitgezakt in een gemakkelijke stoel. Mijn baan als kleuterjuf vind ik heel leuk.  Maar de school waar ik werk, staat in een andere plaats.  Ik moet er een aardig eindje voor reizen. Als ik dan tegen de avond thuiskom, moet ik eerst even uitpuffen.

We zijn vanavond vroeg. We hebben al warm gegeten.  En ik hoef vanavond niets voor te bereiden voor school. Dat betekent dan ook een heerlijk vrije avond!  En die ga ik goed besteden. Met lezen dus!  “Dat was vroeger wel anders,” zegt mijn moeder. “Toen hoefde ik er niet over te denken om te gaan zitten lezen. Een vrouwenhand en een paardetand moeten altijd gaan, was bij ons de leuze. Ik was negen jaar,” gaat mijn moeder verder, “toen ik van school kwam. Wij woonden op een grote boerderij. Mijn moeder was ziekelijk. Ze lag bijna altijd op bed.  Ik moest, meteen toen ik thuis kwam, iedere middag voor elf mensen middageten op tafel zetten.” “Bent u daarna niet meer naar school teruggegaan?” vraag ik.  “Nee, het zat er  niet meer in.  En in het voorjaar moesten de buitenmuren van de boerderij worden geboend. Daar deden we veertien dagen over,” gaat moeder verder. “O, nu begrijp ik dat die muurtjes voor ons erf altijd geboend moeten worden!

Ik kijk naar de dichtbundeltjes die ik heb klaargelegd: Laatste verzen en Mooiste gedichten van Jacqueline van der Waals.  Daarnaast een bundeltje van De Genéstet en een bloemlezing van andere dichters. Later, na de koffie, blader ik even door de bundeltjes en kies: Mooiste gedichten. Moeder leest de krant. Het is stil in de kamer. Je hoort alleen het vriendelijke snorren  van de kolenhaard.  En de klok die rustig tikkend zijn rondjes maakt.  Als moeder de krant uit heeft, stel ik voor: “Zal ik wat voorlezen?” Moeder lacht breeduit. Ik weet dat zij dat fijn vindt. En ik vind het zelf ook fijn.Moeder gaat er echt voor zitten. Ze legt haar bril op tafel.Niemand kan er meer van genieten dan zij, weet ik.  Ik pak een dichtbundel van Jacqueline van der Waals.  En lees voor uit:  Laatste verzen.  De dichteres wist toen al dat zij ongeneeslijk ziek was.

In haar gedichten geeft zij haar strijd weer om tot overgave te komen. Haar moeite, toen zij hoorde dat zij afscheid moest nemen. En ik  lees  voor:

“Ik sprak niet “goede dood”,
Ik sprak niet “boze”,
Maar ’t dennenbosje geurde, en de rozen.
En ‘k had het leven nooit zo liefgehad.”

Na het lezen van een gedicht kijk ik naar moeder.  Ze ligt met haar hoofd tegen de rugleuning aan.  Haar ogen zijn dicht.  Na ieder gedicht denk ik dat zij het welletjes vindt.  Maar daar is geen sprake van.  Haar hele houding zegt: ga door, ga door!  Zij is in afwachting van het volgende gedicht. En zonder iets te zeggen lees ik verder.  Nu over overgave en berusting:

“Het klinkt zo stil, en ’t ver geruis zo zoet,
Heer van Uw eeuwigheid.”

Tenslotte doe ik het boekje dicht.  Moeder gaat verzitten en kijkt mij aan.
“Vond u het mooi?”  Ze knikt een beetje afwezig.  Het duurt altijd eventjes eer zij weer praat. Even later loopt ze naar de keuken.  Ze komt terug met fruit. “Ik zal eens lekker wat fruit klaarmaken, dat lust je vast wel?  En zet die gedichtenbundels toch hier beneden in de boekenkast. Dan hoef je ze de volgende keer niet boven te halen.” “Ja, ik zie dat ze er nog wel bij kunnen,” zeg ik.  “Precies,” zegt moeder volmondig.

Ze geeft mij een bordje met fruit. “Het lied:  Wat de toekomst brengen moge is ook van Jacqueline van der Waals. Ik las het pas ergens. Wist u dat?”
“Nee. En het is nog wel zo’n bekend lied. En een mooi lied,”zegt moeder.”Kom ik ga de kachel maar eens uitdoen.  Het wordt zoetjesaan bedtijd,”zegt moeder. Ik zet de dichtbundeltjes, op moeders advies, in de boekenkast. Even later is alles in vredige rust.

Ik vraag mij nog altijd af hoe het mogelijk was dat mijn moeder – en met haar vele anderen – na slechts drie jaren lager onderwijs  zo goed kon lezen en schrijven.  Moeder heeft veel mooie brieven geschreven en verstuurd.
Ze schreef ze in prachtig schuin schrift. In duplo. Ja, zo ging dat toen!

Dit bericht is geplaatst in vroeger met de tags , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.